< Terug naar vorige pagina

Project

Onderwijs en socioculturele identificatie: Leereffecten bevorderen via congruentie.

De meeste westerse onderwijssystemen blijven vandaag de dag gekenmerkt door socioculturele ongelijkheden. Toch heeft het functionalistisch, meritocratisch standpunt—dat stelt dat het onderwijs de privileges geassocieerd met toegeschreven factoren, zoals rijkdom en familiale achtergrond, beperkt door te focussen op studenten hun eigen prestaties—zich de laatste decennia verder verankerd in het gezond verstand. Dit standpunt is sterk bekritiseerd vanuit interactionistische en conflict-theoretische hoek. Zulke theorieën tonen hoe aspecten binnen het onderwijssysteem zelf bepaalde subgroepen van studenten benadelen. De effecten van kennisoverdracht worden dan ook niet langer als universeel gezien, maar als afhankelijk van de mate van congruentie tussen de inhouden en/of het medium waarmee kennis wordt doorgegeven, en de socioculturele kenmerken van het doelpubliek. Deze thesis verwijst naar dit idee als de ‘culturele congruentie hypothese’ en zoomt in op een specifieke vorm van culturele congruentie: ‘onderwijscongruentie’ of de match tussen curriculaire inhouden/media en de socioculturele identificaties van studenten.

Sinds de jaren 60 proberen sommige leerkrachten en onderzoekers curriculaire inhouden te verbinden met de persoonlijke interesses van minderheidsstudenten, zoals studenten uit de lagere klasse en zij met een etnische minderheidsachtergrond, en mannelijke studenten. Het eerste doel van deze thesis is te onderzoeken of de mate van (in)congruentie tussen curriculaire inhouden en studenten hun socioculturele identificaties hun leerproces (de)stimuleert. Een alternatieve suggestie om de incongruentie, ervaren door sommige subgroepen van studenten, te verminderen, is de integratie van entertainende, digitale media in het curriculum. In tegenstelling tot inhoud-gerelateerde onderwijscongruentie, worden zulke media verwacht congruent te zijn met de leefwereld van de meeste studenten, omdat hun leeftijd een gedeelde socioculturele identificatie vormt. Vooral ‘benadeelde’ studenten zouden via zulke congruente media zich meer verbonden kunnen voelen met het curriculum. Het tweede doel van deze thesis is dan ook: testen of de integratie in het curriculum van een laagdrempelig, digitaal medium, dat congruent is met de studenten hun leeftijdsgroep, sterkere leereffecten teweegbrengt voor ‘benadeelde’ studenten dan voor hun ‘bevoordeelde’ studiegenoten. Ten laatste wordt er van studenten in huidige, geglobaliseerde samenlevingen verwacht dat ze niet enkel ‘goede studenten’ zijn, maar ook ‘goede burgers’ die andere culturen appreciëren en begrijpen. Een te congruent curriculum zou dit laatste doel kunnen tegengaan, omdat het te nauw aansluit bij zaken waarmee leerlingen al cultureel vertrouwd zijn. Het derde en laatste doel van deze thesis is daarom nagaan of interculturele curriculaire inhouden, eerder dan enkel meerderheidsinhouden, studenten helpen om de rol van ‘goede burger’ te vervullen.

De drie besproken doelen werden getest met twee ‘cultureel verrijkte’ experimenten, die niet meer zomaar onderzoeken of hun manipulaties werken, maar eerder nagaan voor welke culturele subgroepen ze effectief zijn. Verder kijken de experimenten hoezeer curriculaire inhouden passen bij studenten hun socioculturele zelf-identificaties, eerder dan bij identiteitslabels opgelegd door de onderzoeker. Het eerste experiment test de impact van een (mis)match tussen lesvoorbeelden en studenten hun gender, een van de duidelijkste socioculturele scheidingslijnen in Vlaamse universiteitscontexten. Het tweede experiment onderzoekt etniciteits-gerelateerde onderwijscongruentie-effecten in Vlaamse secundaire scholen binnen de onderwijsvormen aso en tso.

De resultaten bevestigen de onderwijscongruentie-hypothese: eerder dan de effecten van studenten hun socioculturele kenmerken op meritocratische wijze te beperken, versterkt het onderwijssysteem bepaalde socioculturele effecten, afhankelijk van de gebruikte curriculaire inhouden. Dit wordt duidelijk in (1) de (de)stimulerende leereffecten van de mate van (mis)match tussen genderstereotiepe lesvoorbeelden en studenten hun gender zelf-identificaties in een universiteitscollege Sociologie, en (2) de leereffecten van de mate van (mis)match tussen ‘kleurenblinde’ en ‘interculturele’ teksten met studenten hun eigen etnische identificaties tijdens de les Nederlandse literatuur. Ten tweede vonden de experimenten enig bewijs voor het idee dat YouTube clips en Twitter rollenspel de kloof tussen ‘bevoordeelde’ en ‘benadeelde’ studenten kunnen helpen dichten, in vergelijking met meer traditionele curriculaire media. Tot slot kan ook onderwijsincongruentie zinvol zijn. Studenten die zichzelf als ‘Belgisch’ bestempelen een boek dat Marokkaans-Belgische interacties bevat laten lezen—eerder dan een ‘witte-Belgische-meerderheidsboek’ dat nauwer aansluit bij hun eigen etnische identificaties—verbetert hun attitudes tegenover Marokkanen, maar enkel als zij voldoende klasgenoten van Marokkaanse afkomst hebben. Het ‘Marokkaans-Belgisch’ boek verbetert ook de attitude tegenover Belgen van studenten die zichzelf niet als Belgisch zien, maar enkel in klassen met een beperkt aantal klasgenoten van Belgische afkomst. De conclusie dat het ‘Marokkaans-Belgisch’ boek studenten helpt om hun rol van ‘goede burger’ te vervullen, moet trouwens wel genuanceerd worden: het boek vermindert ook het besef van discriminatie tegenover Marokkaanse jongeren van (1) studenten die zichzelf Belgisch voelen in klassen met veel klasgenoten van Marokkaanse afkomst en (2) studenten die zichzelf niet Belgisch voelen in klassen met weinig klasgenoten van Marokkaanse afkomst.

Het laatste hoofdstuk bespreekt vijf suggesties voor verder onderzoek: de invloed van de socioculturele context op onderwijscongruentie-effecten, de spanning tussen een ‘emic’ en ‘etic’ meting van studenten hun socioculturele identificaties, het intersectionele karakter van onderwijscongruentie-effecten, de mogelijkheid dat de socioculturele identificaties van studenten deels te wijten zijn aan een priming-effect van het experimenteel design, en de nood aan longitudinaal onderzoek. De thesis rondt af met een korte discussie van de moeilijkheden die leerkrachten ervaren als ze onderwijscongruentie-effecten toepassen in de klas.

Datum:21 okt 2013  →  24 apr 2018
Trefwoorden:Experiment, Education, Cultural congruence, Social inequality, Gender, Ethnicity, Course media, Course contents, Reading promotion
Disciplines:Toegepaste sociologie, Beleid en administratie, Sociale psychologie, Sociale stratificatie, Sociale theorie en sociologische methoden, Sociologie van levensloop, gezin en gezondheid, Andere sociologie en antropolgie
Project type:PhD project