< Terug naar vorige pagina

Project

Taalattitudes meten met auditory affective priming: attitudinele variatie tegenover Nederlandse taalvariëteiten

Het doel van dit onderzoek is tweevoudig. In de eerste plaats zet het in op de ontwikkeling van nieuwe methodes in het taalattitudeonderzoek. Daarnaast draagt het bij tot de beschrijving van het taalattitudelandschap in Vlaanderen. Het project is in de eerste plaats methodologische georiënteerd. Op enkele uitzonderingen na (e.g. Preston 1982) heeft kwantitatief taalattitudeonderzoek nauwelijks methodologische innovatie gekend sinds de introductie van de matched-guise techniek in de jaren 1960 (Lambert et al. 1960). Deze methodologische stagnatie staat in schril contrast met de enorme productiviteit in de ontwikkeling van nieuwe attitudemeettechnieken in de sociale psychologie (Petty et al. 2009; Gawronski & De Houwer 2014). De studie van attitudes staat centraal in dat vakgebied en in de afgelopen twee decennia werden er een hele reeks nieuwe methodes geïntroduceerd om impliciete attitudes te meten. In dit doctoraat wordt onderzocht of taalkundig attitudeonderzoek deze methodes kan incorporeren om de sociale betekenis van taalvariatie te bestuderen.

Naast een methodologisch luik, heeft het onderzoek ook een descriptieve doelstelling. In de afgelopen decennia is er relatief weinig onderzoek ondernomen naar attitudes tegenover Nederlandse taalvariatie. Deze situatie is aan het veranderen voor de studie van taalattitudes in Nederland (zie bijvoorbeeld recent onderzoek door Grondelaers et al. 2009; Grondelaers & Van Hout 2010). In Vlaanderen, het Nederlandssprekende deel van België, daarentegen, hebben attitudes tegenover Nederlandse taalvariatie relatief weinig wetenschappelijke aandacht gekregen. Om die lacune op te vullen, geeft dit onderzoek een aanzet tot de verdere verkenning van het taalattitudelandschap in Vlaanderen.

De methodologische en de descriptieve onderzoeksvraag worden gecombineerd in drie studies. Deze studies onderzoeken de inzetbaarheid van drie verschillende sociaalpsychologische attitudemeettechnieken in sociolinguïstisch taalattitudeonderzoek en meten daarbij attitudes tegenover vijf Belgisch Nederlandse taalvariëteiten. De eerste studie verkent de Personalized Implicit Association Test (P-IAT, Olson & Fazio 2004). De P-IAT wordt ingezet om attitudes te meten tegenover Standaard Belgisch Nederlands en twee regionale variëteiten van het Nederlandse in België. De resultaten van de P-IAT worden bovendien vergeleken met de uitkomst van een directe attitudemeting in de vorm van ratingschalen en van een tweede sociaalpsychologische methode, affective priming (AP, Speelman et al. 2013). De tweede studie zet de exploratie van de P-IAT verder na een succesvolle toepassing in de eerste studie. In dit experiment wordt nagegaan of het mogelijk is om taalattitudes in context te meten met de P-IAT. Experimentele methodes zoals de P-IAT presenteren het attitudeobject namelijk vaak op een volledig gedecontextualiseerde manier. Dit kan een beperking vormen, aangezien zowel psychologisch als taalkundig onderzoek heeft aangetoond dat context attitudes in sterke mate kan beïnvloeden (bv. Gawronski & De Houwer 2014; Campbell-Kibler 2007; Soukup 2013a). Een succesvolle implementatie van contextelementen in de P-IAT zou de methode in staat stellen om taalattitudes op een meer gecontextualiseerde manier te bestuderen. De derde en laatste studie gaat de mogelijkheden na van de Relational Responding Task (RRT, De Houwer et al. 2015) als meetinstrument voor taalattitudes. De RRT wordt gebruikt om na te gaan welke sociale betekenis luisteraars associëren met Standaard Belgisch Nederlands en een regionale variëteit van het Nederlands in België.

Om de drie studies van de nodige achtergrond te voorzien wordt in het doctoraat eerst een stand van zaken van attitudemeting in de taalkunde en in de sociale psychologie gepresenteerd evenals een gedetailleerde beschrijving van de methodes die aan bod komen in de drie studies (AP, de P-IAT en de RRT). Daarenboven wordt een vergelijkend overzicht van de procedurele eigenschappen van deze drie methodes gepresenteerd met het oog op hun potentiële voordelen en uitdagingen in de context van sociolinguïstisch attitudeonderzoek.

Globaal gesproken zijn de resultaten op methodologisch vlak positief: de P‑IAT en RRT werden succesvol geïmplementeerd als methodes om taalattitudes te meten. Er is evenwel verder onderzoek nodig om meer inzicht te verwerven in specifieke (procedurele) aspecten van de bestudeerde methodes, maar ook in theoretische facetten van taalttitudes, zoals de categorisatieprocessen die betrokken zijn bij de evaluatie van taalvariatie. Op descriptief vlak bevestigen de resultaten een aantal bevindingen die ook uit andere studies naar voren komen en voegen daar bijkomende inzichten aan toe. Standaard Belgisch Nederlands wordt bijvoorbeeld zeer positief geëvalueerd. Specifiek wordt deze variëteit geassocieerd met status en competentie en met formele gebruikssituaties, hoewel de standaardtaal ook positief gepercipieerd wordt in informele situaties. De regionale variëteiten worden daarentegen exclusief geassocieerd met informele gebruikssituaties en ook met dynamische en trendy sprekers. In tegenstelling tot voorgaande studies, is dit onderzoek erin geslaagd deze dynamische associaties ook te meten met een directe methode.

In het laatste hoofdstuk van dit doctoraat wordt het onderzoek in een breder kader geplaatst om de theoretische relevantie ervan aan te tonen. Hoewel het doctoraat in de eerste plaats de bedoeling heeft om nieuwe methodes voor sociolinguïstisch attitudeonderzoek aan te reiken, overstijgt het die methodologische doelstelling ook. Het onderzoek draagt namelijk bij tot de traditie van de Cognitieve Sociolinguïstiek. Dat is een relatief recent onderzoeksdomein dat ernaar streeft om de sterktes van de sociolinguïstiek te verenigen met die van de Cognitieve Taalkunde, namelijk empirisch onderzoek naar intratalige variatie en onderzoek naar betekenis (Geeraerts & Kristiansen 2015). Die Cognitief Sociolinguïstische ambitie krijgt in dit doctoraat gestalte door van het bestuderen van de sociale betekenis die taalgebruikers associëren met taalvariatie.

 

Campbell-Kibler, K. (2007). Accent, (ING), and the social logic of listener perceptions. American Speech, 82(1), 32–64.

De Houwer, J., Heider, N., Spruyt, A., Roets, A., & Hughes, S. (2015). The relational responding task: Toward a new implicit measure of beliefs. Frontiers in Psychology, 6, article 319.

Gawronski, B., & De Houwer, J. (2014). Implicit measures in social and personality psychology. In H. T. Reis, & C. M. Judd (Eds.), Handbook of Research Methods in Social and Personality Psychology (2nd ed., pp. 283–310). Cambridge: Cambridge University Press.

Geeraerts, D., & Kristiansen, G. (2015). Variationist linguistics. In E. Dąbrowska, & D. Divjak (Eds.), Handbook of Cognitive Linguistics (pp. 365–388). Berlin: De Gruyter Mouton.

Grondelaers, S. & Van Hout, R. (2010). Is Standard Dutch with a regional accent standard or not? Evidence from native speakers’ attitudes. Language Variation and Change, 22(2), 221–239.

Grondelaers, S., Van Hout, R., & Steegs, M. (2009). Evaluating regional accent variation in Standard Dutch. Journal of Language and Social Psychology, 29(1), 101–116.

Lambert, W. E., Hodgson, R. C., Gardner, R. C., & Fillenbaum, S. (1960). Evaluational reactions to spoken languages. The Journal of Abnormal andSocial Psychology, 60(1), 44–51.

Olson, M. A., & Fazio, R. H. (2004). Reducing the influence of extrapersonal associations on the Implicit Association Test: Personalizing the IAT. Journal of Personality & Social Psychology, 86(5), 653–667.

Petty, R. E., Fazio, R. H., & Briñol, P. (2009). The new implicit measures: An overview. In R. E. Petty, R. H. Fazio, & P. Brinol (Eds.), Attitudes: Insights from the New Implicit Measures (pp. 3–18). New York: Psychology Press.

Preston, D. R. (1982). Perceptual dialectology: Mental maps of United States dialects from a Hawaiian perspective. Working Papers in Linguistics, 14(2), 5-49. Department of Linguistics, University of Hawaii at Manoa, Honolulu.

Soukup, B. (2013a). The measurement of ‘language attitudes’ - A reappraisal from a constructionist perspective. In T. Kristiansen, & S. Grondelaers (Eds.), Language (De)standardisations in Late Modern Europe: Experimental Studies (pp. 251–266). Oslo: Novus.

Speelman, D., Spruyt, A., Impe, L., & Geeraerts, D. (2013). Language attitudes revisited: Auditory affective priming. Journal of Pragmatics, 52, 83–92.

Datum:1 okt 2013  →  30 sep 2017
Trefwoorden:Taal, Linguistics, Sociolinguistics, Language variation and change, Language attitudes, Social meaning of language variation, Cognitive Sociolinguistics, Dutch language variation, Implicit Association Test, Relational Responding Task
Disciplines:Linguïstiek, Theorie en methodologie van de linguïstiek, Andere linguïstiek en literatuurwetenschappen
Project type:PhD project