< Terug naar vorige pagina

Project

Taal als voorspeller van studiesucces. Een validiteitsargument voor een low-stakes academische taalscreening voor eerstejaarsstudenten

De overgang naar het hoger onderwijs wordt vaak als moeilijk ervaren, een transitie naar een nieuw soort cultuur waarin ook het taalgebruik zijn eigen regels en conventies heeft (van Kalsbeek & Kuiken, 2014). In Vlaanderen, waar er, behalve voor geneeskunde en tandheelkunde, een open hoger onderwijssysteem heerst zonder voorafgaande selectiemechanismen, is het opvolgen van de instromende groep studenten belangrijk. De slaagkansen in het eerste jaar zijn immers laag. Aan de KU Leuven bijvoorbeeld behaalde in 2015-2016 minder dan 40% zijn totale aantal opgenomen studiepunten (KU Leuven, 2016). Deygers (2017) stelt zelfs dat in dit systeem het eerste jaar kan worden beschouwd als het de facto selectiemechanisme. De democratisering van het hoger onderwijs, soms ook de massificatie van het hoger onderwijs genoemd, stelt nieuwe uitdagingen om studenten, met een vaak diverse achtergrond, te laten ‘accultureren’ aan het academische onderwijs (Glorieux, Laurijssen & Sobczyk, 2014b; Read 2015; Van Dyk, 2015; van Kalsbeek & Kuiken, 2014).

Een intrinsiek onderdeel van die achtergrond is de taalvaardigheid van de studenten, niet enkel bij internationale studenten, maar ook bij moedertaalsprekers. Dat sluit aan bij de hypotheses van Hulstijn (2011, 2015) die stelt dat wanneer het gesproken basisniveau van taal wordt verlaten, wat hij Basic Language Cognition noemt, en Higher Language Cognition meer vereist wordt, er ook tussen moedertaalsprekers relatief grote verschillen in taalvaardigheid naar voren komen. Internationaal onderzoek heeft daarenboven duidelijk gemaakt dat een gebrek aan taalvaardigheid een drempel voor studiesucces kan vormen (Davies, 2007; Elder, Bright, Bennet, 2007; Elder, Erlam & van Randow, 2002; Graham, 1997; Hill, Storch & Lynch, 1999; Read 2015; Van Dyk, 2015). Hoewel deze bevindingen niet zonder meer naar de Vlaamse situatie vertaald kunnen worden, is er het inzicht gegroeid dat een gebrekkige academische taalvaardigheid mogelijk een verhoogd risico vormt voor studiesucces (Bonne & Vrijders, 2016; Peters & Van Houtven, 2010; De Wachter, Heeren, Marx & Huyghe, 2013; Herelixka & Verhulst, 2014; Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren, 2015). Toch is hier tot nu toe weinig onderzoek naar gedaan. Bovendien richt internationaal onderzoek zich voornamelijk op internationale studenten en high-stakes testen, waarbij de niet-geslaagden niet kunnen worden meegenomen in de predictieve validiteitsstudie.

Dit doctoraatsonderzoek gebruikt hoofdzakelijk de reeds verzamelde gegevens van het Aanmoedigingsfondsproject Taalvaardig aan de Start (TaalVaST), dat een taaltoets en bijhorende begeleiding ontwikkelde tussen 2009 en 2016. De publicaties tot nu toe hebben het opzet van de test beschreven net als een correlatiestudie naar de samenhang met studiesucces, geoperationaliseerd als het gemiddelde resultaat in januari (De Wachter & Cuppens, 2010; De Wachter & Heeren, 2013; De Wachter et al., 2013). Het voorgestelde proefschrift valt uiteen in twee grote delen: een eerste deel gaat dieper in op de interne testvaliditeit met vijf deelstudies. Het tweede deel bevat het hoofdonderzoek en gaat dieper in op testexterne aspecten van validiteit, met name de predictieve waarde van de toets.

 

De studies in het eerste deel zijn opgebouwd rond zes onderzoeksvragen:

- Kunnen de itemscores op de screening aan één onderliggend construct toegeschreven worden (IRT-analyse)?

- Scoren tweedejaarsstudenten anders op de taalscreening dan eerstejaarsstudenten, m.a.w.  geldt de onderliggende aanname dat de screening de taalvaardigheid meet, nodig om te slagen in het eerste jaar?

- In welke mate moet een student zijn metacognitieve strategieën aanspreken om de test succesvol op te lossen?

- Hangt het gebruik van metacognitieve strategieën samen met de snelheid waarmee een student de screening aflegt en hangt die snelheid op zijn beurt samen met zijn score en zijn studiesucces?

- Hangt de score op taalscreening samen met de score op de ITNA-computertest?

- Hangen de scores van de screening samen met die op de gevalideerde TALL/TAG-test die ook academische taalvaardigheid als onderliggend construct heeft (Van Dyk, 2010; Van Dyk, 2015)?

 

Het tweede deel van dit proefschrift, het hoofdonderzoek, zal eerst kijken naar het effect van de achtergrondvariabelen, namelijk leeftijd, geslacht, SES, talige achtergrond, vooropleiding en resultaat secundair onderwijs, op de screeningsscore. Vervolgens wordt er een nieuwe correlatie gemaakt met studiesucces, geoperationaliseerd als het gemiddelde eindresultaat in januari en juni enerzijds en als de behaalde cumulatieve studie-efficiëntie (CSE) in januari en juni anderzijds. Daarnaast zal het resultaat van de taalscreening naast dat van andere gekende voorspellers van studiesucces gelegd worden. Van Dyk (2015) toont bijvoorbeeld aan dat wanneer het gemiddelde resultaat dat een student in het secundair onderwijs behaalt, wordt toegevoegd in een regressiemodel, de verklarende waarde van de taaltest nagenoeg verdwijnt. Het is daarom interessant om via een padanalyse de relatie van de verschillende variabelen tot studiesucces, maar ook tot elkaar vast te stellen.

 

De onderzoeksvragen van de hoofdstudie van het doctoraatsonderzoek luiden als volgt:

- In welke mate bepalen (interacties tussen) achtergrondvariabelen de screeningscore en welke rol speelt de sociaaleconomische achtergrond van de student hierin?

- Wordt de correlatie tussen studiesucces en taaltestresultaat die De Wachter et al. (2013) vonden, bevestigd?

- Hoezeer verschilt die correlatie tussen de verschillende faculteiten, m.a.w. kan de screening als een instrument beschouwd worden dat een ‘algemeen’ academisch Nederlands meet?

- Wat is de voorspellende waarde van de screening, als andere gekende voorspellers mee in rekening worden gebracht?

- Gekoppeld aan die voorspellende waarde: in welke mate is het gebruik van het instrument valide en kan de test ook op andere manieren ingezet worden, bijvoorbeeld met een grotere impact?

 

Deze studie draagt bij aan de literatuur rond post-entry academic language assessment (PELA) (Knoch & Elder, 2013; Read, 2015) en vult enkele leemtes in het onderzoek naar de predictieve waarde van taalvaardigheid voor studiesucces in. Ten eerste is er in instellingen buiten België vaak een sterke selectie bij de instromende populatie aan het hoger onderwijs. Hoewel de instroom aan Vlaamse universiteiten de demografische kenmerken van de maatschappij zeker niet weerspiegelt (De Wit, Van Petegem & De Maeyer, 2000; Glorieux, Laurijssen & Sobczyk, 2014a) zijn er, op enkele uitzonderingen na, geen officiële selectiemechanismen. Daarnaast maakt het internationaal onderzoek vaak gebruik van toelatingstesten, waardoor de groep gezakte studenten niet kan worden meegenomen in de predictie. Dit onderzoek maakt gebruik van een screening na inschrijving, waardoor dit truncated sample-probleem zich niet stelt (Davies et al., 1999). Een laatste punt waarop dit onderzoek bijdraagt aan het internationale debat is de uitgebreide set achtergrondvariabelen van de studenten die wordt meegenomen in de analyse. Deze sociale dimensie is belangrijk om te onderzoeken welke achtergrondkenmerken, of welke combinatie ervan, met de in de screening gemeten taalvaardigheid samenhangen en hoe dat eventueel verband houdt met studiesucces. Deze resultaten zullen ook gekoppeld worden aan het testgebruik en zelfs breder, aan het beleid inzake doorstroom naar het hoger onderwijs. Ondanks het low-stakes karakter van de test, is het noodzakelijk dat hij verder gevalideerd wordt, gezien de duizenden studenten die de test jaarlijks afleggen en de plaats die deze test ondertussen inneemt in oriëntatie-instrumenten voor het laatste jaar secundair onderwijs, zoals Columbus (columbus.onderwijskiezer.be) en het LUCI-platform (www.kuleuven.be/luci) (Winke & Fei, 2008). Het doel van deze studie is de constructie van een validiteitsargument waarbij niet enkel het instrument wordt gevalideerd, maar ook het gebruik van het instrument en de gevolgen van dat gebruik (Bachman & Palmer, 2010; Kane, 1992; Kane, 2001; Kane 2013; Messick, 1989; Knoch & Elder, 2013; Read, 2015).

Datum:13 okt 2017  →  Heden
Trefwoorden:Post-entry Language Assessment, University
Disciplines:Onderwijscurriculum, Talen, Literatuurwetenschappen, Linguïstiek, Theorie en methodologie van de linguïstiek, Andere linguïstiek en literatuurwetenschappen
Project type:PhD project