< Terug naar vorige pagina

Project

Sociale mobiliteit, partnerkeuze, huwelijk en gezinsvorming onder migranten. Een levensloopbenadering van migratie en integratie in drie West-Europese havensteden: Antwerpen, Rotterdam en Stockholm, 1850-1914.

In dit doctoraat wordt de sociale in- en uitsluiting van interne en internationale migranten in drie Noordwest-Europese havensteden in de periode 1850-1930 bestudeerd aan de hand van kwantitatieve onderzoeksmethodes. De data zijn afkomstig van drie grote databanken: de Antwerpse COR*-database, de Historische Streekproef Nederland, en de Stockholm Historical Database. Alle drie de databases bevatten longitudinale data op microniveau, afkomstig van de bevolkingsregisters. Op basis van die gegevens worden de levenslopen van verschillende migrantengroepen en autochtonen gereconstrueerd en met elkaar vergeleken. De vergelijking van de drie steden maakt het mogelijk inzicht te verwerven in de invloed van de lokale gelegenheidsstructuur op processen van in- en uitsluiting.

Voor het onderzoek worden vijf sociaal-demografische indicatoren geselecteerd, die samenvallen met, of nauw verband houden met kerntransities in de levensloop: partnerkeuze, huwelijkssluiting, de geboorte van het eerste kind, sociale mobiliteit en sterfte. Deze  indicatoren verschaffen inzicht in de mate waarin migranten aansluiting vinden bij andere groepen en toegang krijgen tot de arbeids- en huwelijksmarkt, alsmede reproductie. Met de laatste indicator - sterfte - wordt onderzocht of migranten met gezondheidsproblemen geconfronteerd worden als gevolg van hun immigratie. Om een beter inzicht te krijgen in wie wel en wie niet wordt in- of uitgesloten, en welke processen daar schuil achter gaan, worden de demografische kenmerken, en het sociaal, economisch, cultureel en seksueel kapitaal van de onderzoeksgroepen in de analyses betrokken.

Het onderzoek toont aan dat de sociale insluiting van nieuwkomers in de periode 1850-1930 geen sinecure was en dat dit sterk samenhing met culturele verschillen, maar ook met een gebrek aan human capital. Migranten hadden lagere huwelijkskansen, trouwden op latere leeftijd en voltooiden minder en pas op latere leeftijd de transitie naar het ouderschap. 

Wanneer migranten in het huwelijksbootje stapten, was hun partner meestal geen autochtoon. Nieuwkomers vonden gemakkelijk aansluiting bij andere migrantengroepen. Dat laatste gold met name voor vrouwen in Rotterdam en Stockholm. Dit genderverschil had te maken met een mannentekort, waardoor vrouwen hun partner eerder buiten de eigen groep moesten zoeken.

Kleine migrantengroepen hadden het moeilijker om toegang te krijgen tot de huwelijksmarkt, maar zij vonden wel gemakkelijker aansluiting bij andere migrantengroepen. De Franstalige interne migranten in Antwerpen vormden hierop een uitzondering: zij bleven vaker ongetrouwd,  en als ze huwden hadden ze een grotere kans om binnen versus buiten de eigen groep te huwen. Dit duidt op een combinatie van marginalisering en segregatie.

Interne migranten bekleedden gemiddeld lagere posities op de arbeidsmarkt en konden in de loop van hun carrière het gat met de autochtone bevolking lang niet altijd dichten. Laagopgeleide plattelandsmigranten hadden het bijzonder moeilijk, met name in de industriële hoofdstad van Zweden. Dankzij hun human capital deden internationale migranten in alle drie de havensteden het wel goed op de arbeidsmarkt. Het feit dat diezelfde groep maar met moeite toegang kreeg tot de huwelijksmarkt toont aan dat economisch succes niet zomaar leidde tot de overbrugging van culturele verschillen.

Op het vlak van sterfte hadden migranten een voordeel ten opzichte van autochtonen. Dit zogenaamde healthy migrant effect was het resultaat van positieve selectie-effecten: gezonde mensen zijn meer geneigd te migreren. Er werd ook aangetoond dat de lagere sterfterisico’s van migranten niet het gevolg waren van meetfouten. Het healthy migrant effect was niet het resultaat van selectieve retourmigratie van zwakke, zieke en oude migranten, of migranten die maar moeilijk geïntegreerd raakten (salmon bias hypothese). Migranten die naar een andere bestemming migreerden hadden de laagste sterfterisico’s. Dit is een aanwijzing dat het vertrek van migranten niet noodzakelijk het gevolg was van aanpassingsproblemen, het kon net zo goed het resultaat zijn van betere kansen elders. Het feit dat vertrekkers geen lagere huwelijkskansen hadden dan blijvers, wijst in dezelfde richting.   

Ondanks het feit dat migranten in het algemeen lagere sterfterisico’s hadden dan autochtonen, werd een viertal groepen geïdentificeerd met oversterfte als gevolg van sociale uitsluiting. Bovendien verdween het healthy migrant effect bij migranten die zich duurzaam in de stad vestigden in de latere levensloop. Migranten betaalden dus een gezondheidsprijs voor hun trek naar de stad.  

De sociale inclusie van migranten verliep in Antwerpen opvallend gemakkelijker dan in Rotterdam en Stockholm.  Dat wordt toegeschreven aan de specifieke Antwerpse havenontwikkeling en de dominantie positie van de haven in de lokale economie. In Antwerpen waren er niet allen relatief veel mogelijkheden voor laagopgeleide migranten, maar ook voor hoogopgeleiden. De maritieme handel en de omvangrijke groep van buitenlandse migranten creëerden een open klimaat voor nieuwkomers.

Datum:1 okt 2009  →  15 dec 2015
Trefwoorden:Historical demography, Family sociology, Port cities, Life course, Integration, Migration, History
Disciplines:Economische geschiedenis, Geschiedenis, Toegepaste sociologie, Beleid en administratie, Sociale psychologie, Sociale stratificatie, Sociale theorie en sociologische methoden, Sociologie van levensloop, gezin en gezondheid, Andere sociologie en antropologie, Demografie
Project type:PhD project