< Terug naar vorige pagina

Project

SIGNALING VALUES: Europeanisering en geheugenpolitiek in Kroatië en Servië

In deze studie onderzoek ik de manieren waarop ‘Europa’ is opgebouwd als een mnemonische gemeenschap gebaseerd op een gedeeld verleden. Talrijke academici en mensen uit het veld wijzen op het ontstaan van een ‘Europees geheugen’ – een gedeeld verhaal over het verleden als instrument om het gevoel van een gemeenschappelijke Europese identiteit bij de bewoners van Europa te versterken. In de afgelopen dertig jaar hebben de EU-instellingen en politieke elites deze aanpak – het omzetten van een verdeeld en verdelend verleden in een gedeeld geheugen – zo uitgebreid gepropageerd dat we kunnen spreken van de opkomst van een ‘EU-herinneringspolitiek’. De gangbare verklaringen voor de transnationalisering van herinneringsdiscoursen en -praktijken belichten echter niet de rol van het collectieve geheugen in het proces van europeanisering (Assman 2014; Banke 2010; Calligaro 2013; de Cesari & Rigney 2014; Gensburger & Lavabre 2012; Pakier & Stråth 2010; Mälksoo 2009; Mink & Neumayer 2013; Neumayer 2018; Sierp 2014).

 

In de europeaniseringsliteratuur wordt gesteld dat de omzetting van regelgeving een reactie van landen teweegbrengt, die leidt tot de internalisering van nieuwe normen en de ontwikkeling van nieuwe identiteiten als gevolg van de interactie met de EU-instellingen en -vertegenwoordigers (Börzel & Risse 2003). Het voorliggend proefschrift schuift een alternatieve lezing van de europeanisering naar voren. Deze lezing laat toe om rekening te houden met de mogelijkheid dat landen niet alleen reageren op het proces van omzetting van Europese regelgeving en normen, maar dit ook manipuleren. Voor hun eigen politiek gewin sluiten zij zich aan bij de herinneringspolitiek van de EU. In het proefschrift worden Kroatië (een EU-lidstaat) en Servië (een kandidaat-lidstaat) met hun daadwerkelijk gedeelde verleden in het Joegoslavië van na 1945 en als voormalige strijdende partijen in de jaren 1990, geselecteerd voor een diepgaande analyse. De belangrijkste stelling is dat beide landen het EU-herinneringskader hebben aangewend, zij het in verschillende mate, door gebruik te maken van dezelfde instrumenten en methoden om hun onderling uiteenlopende etnisch-nationale narratieven uit het verleden op (trans)nationaal niveau te bevestigen.

 

Om deze stelling te onderbouwen, gaat het proefschrift dieper in op het historisch institutionalisme en worden inzichten uit zowel de rationele-keuzetheorie als het constructivisme ingezet om de relatie tussen collectief geheugen en europeanisering te onderzoeken. Het stelt dat constructivistische modellen, die een causaal verband tussen identiteit en europeanisering theoretiseren, de complexiteit van deze relatie niet volledig kunnen verklaren. Dit proefschrift ontwikkelt een interpretatief theoretisch kader waarin herinneringspolitiek en europeanisering worden geconceptualiseerd als wederzijds constitutief en moeten worden bestudeerd op het niveau van de mnemonische praktijken. Deze benadering stelt ons in staat om niet alleen te begrijpen wie ‘herinnert’ en hoe, maar ook wat de doelstellingen zijn van de politieke mobilisatie van het verleden op (trans)nationaal niveau.

 

Het onderzoek dat via dit model wordt uitgevoerd, benadrukt de normativiteit van het discours over het Europese geheugen en de oppervlakkigheid van de politieke ‘omgang met het verleden’. Het toont aan dat herinneringspolitiek kneedbaar is, aangezien de betekenissen die aan vormen van herdenking worden toegekend, in functie staan van de doelen en bedoelingen van een veelheid aan ‘memory entrepreneurs’ op zowel nationaal als transnationaal niveau. Dit wordt geïllustreerd in de bestudeerde cases, die zich richten op officiële narratieven over de Tweede Wereldoorlog, de Joegoslavische oorlogen en hun erfenissen. De empirische analyse toont aan dat Kroatië en Servië in de pretoetredingsperiode geleidelijk, maar ook selectief, zijn gaan convergeren met de imperatieven van de herinneringspolitiek van de EU, door belangrijke elementen van de EU-identiteit en -herinnering aan te grijpen om hun binnenlandse verhalen uit het verleden te herformuleren en te framen ter ondersteuning van hun verzoek tot toetreding. In de periode na de toetreding zijn landen (Kroatië) hun binnenlandse discoursen intensiever gaan uitdragen door mnemonische praktijken en dominante herinneringscanons op transnationaal niveau toe te passen om symbolische en politieke winsten te boeken. Aan de hand van een vergelijking van nationale discoursen in de discursieve arena van de EU, besluit het proefschrift dat het ‘Europese geheugen’ ondanks alles een zeer omstreden en ongrijpbaar concept blijkt te zijn.

Datum:10 sep 2015  →  19 dec 2019
Trefwoorden:European memory, Europeanization, Enlargement, Balkans, Reconciliation, Dealing with the past
Disciplines:Andere economie en bedrijfskunde, Burgerschap, immigratie en politieke ongelijkheid, Internationale en vergelijkende politiek, Multilevel governance, Nationale politiek, Politiek gedrag, Politieke organisaties en instellingen, Politieke theorie en methodologie, Openbaar bestuur, Andere politieke wetenschappen
Project type:PhD project