< Terug naar vorige pagina

Project

Nieuwe inzichten in de preventie en diagnose van niet-bacteriële infectoes tijdens kritieke ziekte

Kritiek zieke patiënten herstellen niet steeds volledig na een acute levensbedreigende gebeurtenis, maar blijven soms afhankelijk van orgaan-ondersteunende therapie om te kunnen overleven. Tijdens deze fase van ‘verlengde kritieke ziekte’ zijn ze vatbaar voor opportunistische infecties, onder andere virale reactivatie en invasieve schimmelinfecties. Deze infecties zijn geassocieerd met een hogere mortaliteit, langere duur van afhankelijkheid van intensieve therapie en hogere kosten. In deze thesis focussen we op de preventie en diagnose van deze infecties met als doel de uitkomst van kritieke ziekte te verbeteren.

In het eerste deel onderzochten we de associatie tussen CMV serologie en de uitkomst van kritieke ziekten. Kritiek zieke patiënten die eerder geïnfecteerd werden met CMV hebben een latente infectie, dewelke kan reactiveren en op zijn beurt geassocieerd is met een slechtere klinische uitkomst. Deze latente CMV infectie kan opgespoord worden door de aanwezigheid van CMV antistoffen in het serum. We hebben de associatie tussen CMV serologie en klinische uitkomst onderzocht in een grote post-hoc analyse van twee gerandomiseerde studies. Omdat reactivatie later tijdens het verloop van kritieke ziekte optreedt, includeerden we niet-immuungecompromitteerde patiënten die drie dagen of langer in de intensieve therapie eenheid (ITE) verbleven. In deze groep van 1504 patiënten vergeleken we de mortaliteit in ITE en in het ziekenhuis, de verblijfsduur op ITE en in het ziekenhuis, en de duur van orgaan-ondersteunende therapie. We vonden geen verschil in deze klinische uitkomsten van CMV seropositieve ten opzichte van CMV seronegatieve patiënten. We definieerden meerdere groepen met een verhoogde kans op reactivatie. Ook in deze hoog-risico groepen vonden we geen associatie tussen ITE of hospitaal mortaliteit en CMV serostatus. We besluiten dat het niet aangewezen is om te starten met interventionele studies met antivirale therapie ter preventie van CMV reactivatie.

In het tweede deel onderzochten we de invloed van vroegtijdige macronutriënt restrictie op de incidentie van nieuw ontstane invasieve schimmelinfecties tijdens kritieke ziekten. We toonden aan dat afwachten met het toedienen van parenterale voeding als supplement voor onvoldoende enterale voeding en dus het aanvaarden van een tekort aan macronutriënten tijdens de eerste week van kritieke ziekte, het aantal invasieve schimmelinfecties reduceerde in vergelijking met patiënten waarbij vroegtijdig bijkomende parenterale voeding gestart werd. De invasieve schimmelinfecties traden vroeger op bij patiënten die vroegtijdig bijkomende parenterale voeding kregen dan bij patiënten waarbij geen parenterale macronutriënten toegediend werden tijdens de eerste week van het ITE verblijf. Het risico over de tijd om een invasieve schimmelinfectie te ontwikkelen was hoger wanneer de gemiddelde totale dagelijkse calorietoediening toenam, hetgeen suggereert dat de totale hoeveelheid toegediende calorieën wellicht belangrijker is dan de wijze van toediening.

In het derde deel evalueerden we nieuwe diagnostische middelen voor invasieve schimmelinfecties tijdens kritieke ziekten. Eerst onderzochten we de accuraatheid van 1,3-b-D-glucan (BG) om invasieve aspergillose (IA) vast te stellen tijdens kritieke ziekten. We toonden aan dat BG een hoge negatieve voorspellende waarde heeft voor IA in kritiek zieke patiënten, maar ook een lage specificiteit omwille van vals positieve resultaten. In onze onderzochte ITE populatie was de optimale grenswaarde van BG om IA te detecteren hoger dan de grenswaarde die gesuggereerd wordt door de fabrikant. Maar zelfs bij deze hogere grenswaarden was de performantie van galactomannan op bronchoalveolaire lavage beter dan BG bepaling in serum. We besluiten dat de eigenschappen van deze test onvoldoende zijn om als diagnostische test te gebruiken in de onderzochte populatie.

Als tweede diagnostische middel vergeleken we de serum concentratie van de circulerende mannose receptor (sMR) in ITE patiënten met een invasieve schimmelinfectie en een vergelijkbare groep van ITE patiënten met een bacteriële infectie of zonder nieuwe infectie tijdens het ITE verblijf. We stelden vast dat de serum sMR concentratie significant hoger is in patiënten met een invasieve schimmelinfectie dan in vergelijkbare patiënten met een bacteriële infectie of in patiënten die geen nieuwe infectie ontwikkelden tijdens het ITE verblijf. Er was echter veel overlap in serum sMR concentraties van patiënten met invasieve schimmelinfecties en bacteriële infecties waardoor de nauwkeurigheid van sMR om invasieve schimmelinfecties te diagnosticeren tijdens kritieke ziekten onvoldoende is. Bijgevolg raden we het gebruik van sMR serum concentratie als diagnostische test voor invasieve schimmelinfecties af in kritiek zieke patiënten. Een interessante vaststelling was dat lagere sMR concentraties gemeten werden bij patiënten waarbij het intraveneus toedienen van macronutriënten uitgesteld werd tot een week na de opname op ITE. Dit dient verder onderzocht te worden.

In deze thesis hebben we aangetoond dat de voedingsstrategie tijdens de vroege fase van kritieke ziekte invloed heeft op het risico fungale infecties te ontwikkelen tijdens de latere fase. Eerder werd reeds aangetoond dat vroegtijdig starten van parenterale nutritie het risico op een ITE-verworden infectie vergroot. Verder onderzoek is nodig om het effect van voeding op virale reactivatie na te gaan. Bovendien is het onderliggend mechanisme van het verhoogde infectierisico niet opgehelderd. Autofagie is een cellulair proces die beschadigde organellen opruimt. Dit proces wordt onderdrukt door voeding en speelt ook een belangrijke rol in de verdediging tegen infecties. Het effect van voeding op autofagie in witte bloedcellen en de relatie met klinische parameters, dient onderzocht te worden gezien dit mogelijks de onderliggende pathofysiologie van het verhoogde infectierisico na vroegtijdige voeding tijdens kritieke ziekte kan ophelderen.

Datum:1 jun 2016 →  30 sep 2020
Trefwoorden:non-bacterial infections
Disciplines:Laboratoriumgeneeskunde, Palliatieve zorg en zorg rond het levenseinde, Regeneratieve geneeskunde, Andere basiswetenschappen, Andere gezondheidswetenschappen, Verpleegkunde, Andere paramedische wetenschappen, Andere translationele wetenschappen, Andere medische en gezondheidswetenschappen
Project type:PhD project