< Terug naar vorige pagina

Project

Naar een beter begrip van niet-suïcidaal zelfverwondend gedrag bij universiteitsstudenten: Voorspellende factoren, uitlokkende mechanismen en potentieel levensbedreigende gevolgen.

Zelfverwondend gedrag (ZVG) of het zichzelf opzettelijk fysiek schade toebrengen zonder een aanwezige doodswens (bijv., zichzelf krassen, slaan) vormt een maatschappelijk gezondheidsprobleem en komt tijdens de adolescentie frequent voor met andere ernstige psychische problemen. Tot op heden is er echter weinig geweten over ZVG na de adolescentie periode. Voor een groeiende groep jongeren in onze samenleving eindigt de adolescentie, en begint de ontluikende volwassenheid, met de overgang naar het hoger onderwijs. Deze doctoraatsthesis heeft tot doel om wetenschappelijke kennis te vergaren over ZVG tijdens de universiteitsperiode. 

In een eerste studie, bij meer dan 20,000 eerstejaarsstudenten uit 24 verschillende universiteiten wereldwijd, vonden we dat 17.7% aangeeft zichzelf ooit te hebben verwond en 8.4% dit deed in het afgelopen jaar. Daarnaast toonden we aan dat het ontstaan van ZVG gelinkt kon worden met eerdere psychische stoornissen. Omgekeerd vonden we ook dat ZVG een risicofactor is voor het ontwikkelen van nieuwe psychische stoornissen. In een tweede studie schatte we het voorkomen van het DSM-5 Zelfverwondingssyndroom op 0.8%. Om hieraan te voldoen moeten studenten zichzelf vijf of meer dagen in het afgelopen jaar hebben verwond en ernstig lijden onder het voorkomen van ZVG. In diezelfde studie vonden we dat studenten met het Zelfverwondingssyndroom vaak ook andere psychische stoornissen hebben en ernstige beperkingen in het dagelijkse leven ervaren. Hoewel ZVG soms ongewild levensgevaarlijk kan zijn, is er geen primaire intentie aanwezig om zichzelf van het leven te benemen. Desondanks suggereren theorieën dat ZVG een risico kan vormen voor de ontwikkeling van suïcidale gedachten en gedragingen. Dit onderzochten we in een derde studie waarin we vonden dat diegenen die ZVG rapporteerden een 5.5 keer hoger risico hadden om een eerste suïcidepoging te ondernemen (gemiddeld drie jaar later). Verdere analyses toonden aan dat de aanwezigheid van ZVG ook een voorspellende factor is in de transitie van suïcidale gedachten en suïcidale plannen naar een suïcidepoging. Tot slot leerde dit onderzoek ons dat individuen die repetitief en ernstigere vormen van ZVG rapporteren, het hoogste risico lopen om suïcidaal te worden.

In een vierde studie onderzochten we het ontstaan van ZVG tijdens de universiteitsperiode bij studenten die dit gedrag als adolescent nooit hadden gesteld. Het voorkomen van ZVG werd in deze groep geschat op 10.3% in jaar 1 en 6.0% in jaar 2, waarbij 7.0% aangaf zichzelf minstens 5 keer te hebben verwond in het afgelopen jaar. Het ontstaan van ZVG tijdens de eerste twee jaren aan de universiteit kon in verband worden gebracht met traumatische ervaringen tijdens de kindertijd en/of adolescentie, met psychische stoornissen en recente stressvolle ervaringen. Vervolgens berekenden we voor elke student een risicoscore op basis van meer dan 50 psychosociale factoren dat toeliet om met redelijke accuraatheid hoog-risicostudenten te identificeren. Voor velen ontstaat ZVG echter al in de adolescentie. Daarom onderzochten we bij deze groep studenten, in een vijfde studie, factoren die differentiëren tussen wie stopt en wie doorgaat met ZVG. Adolescenten die ernstig ZVG (bijv. hogere frequentie) rapporteren gaan vaker door met ZVG tijdens de universiteitsperiode. Verder vonden we ook dat de persoonlijke overtuiging dat men zijn emoties kan reguleren een belangrijke factor is in het bepalen dat studenten stopten met ZVG tijdens de universiteitsperiode. Tenslotte onderzochten we in een zesde studie factoren die op korte termijn voorspellen wanneer studenten met ZVG een risico hebben om dit gedrag te stellen in het dagelijkse leven. Deze studie toonde aan dat gedachten over ZVG voorkomt in situaties waarin meer negatieve (bijv., zich somber en gestrest voelen) en minder positieve emoties ervaren worden (bijv. zich ontspannen en tevreden voelen). Risico voor het stellen van ZVG was acuut wanneer men op dergelijke momenten eveneens de overtuiging had niet te kunnen weerstaan aan de drang voor ZVG.

Concluderend kunnen we stellen dat ZVG bij universiteitsstudenten vaak voorkomt, maar voor de meeste studenten vooral sporadisch van aard is. Zo is het voorkomen van het Zelfverwondingssyndroom zeldzaam. Deze bevindingen illustreren de relevantie voor het evalueren van een trapsgewijs zorgmodel voor ZVG bij universiteitsstudenten. Clinici dienen waakzaam te zijn voor de ontwikkeling van verdere psychische stoornissen en suïcidale gedachten en gedragingen bij studenten met ZVG. Voor beleidsmakers impliceren onze bevindingen dat het investeren in preventie- en interventiestrategieën voor ZVG een gunstig effect kan hebben op de suïcidecijfers bij jongvolwassenen. Een innovatief aspect van ons onderzoek was de implementatie van een algoritme waarmee we aantoonden dat preventief screenen voor ZVG een beloftevolle strategie is om tijdig hoog-risicostudenten te identificeren bij aanvang van de universiteitsperiode. Verdere studies in dit domein alsook het ontwikkelen van accurate detectiemethoden voor ZVG in het dagelijkse leven zijn noodzakelijk om op een wetenschappelijke basis preventie en interventie van ZVG bij universiteitsstudenten mogelijk te maken.

 

 

Datum:1 okt 2014  →  30 sep 2020
Trefwoorden:self-injury, students, suicidality, NSSI, mental health
Disciplines:Psychiatrie en psychotherapie, Verpleegkunde, Andere paramedische wetenschappen, Klinische en counseling psychologie, Andere psychologie en cognitieve wetenschappen
Project type:PhD project