< Terug naar vorige pagina

Project

Making Citizens 'National': Analysing the Impact of Ghana's National Service Scheme (NSS) and Nigeria's National Youth Service Corps (NYSC)

Zowel in de academische als niet-academische wereld wordt etnische diversiteit/polarisering vaak geassocieerd met een aantal maatschappelijke problemen, waaronder politieke instabiliteit en geweld (e.g. Reynal-Querol, 2002; Collier and Hoeffler, 2002), een lage(re) economische groei (e.g. Easterly and Levine, 1997; Alesina et al., 1999), en een lager aanbod van collectieve goederen en diensten (e.g. Miguel & Gugerty, 2005; Easterly and Levine, 1997). Sinds de dekolonisatie van Afrika in de jaren ’60, hebben een heel aantal Afrikaanse landen om die reden een beleid gevoerd van ‘nation-building’ met als doel een gevoel van nationale eenheid, gedeeld burgerschap en solidariteit te stimuleren, en het belang van etnische affiliaties te verminderen (Berman, 2004).

 

Een prominent voorbeeld van zulk beleid zijn programma’s van nationale dienstverlening. In deze programma’s worden studenten van universiteiten en andere tertiaire onderwijsinstellingen na het behalen van hun bachelorsdiploma naar andere delen van het land gestuurd om aan civiele dienstverlening te doen voor een periode van één jaar. Het idee achter deze nationale dienst is dat contact tussen jongeren van verschillende etnische groepen, regio’s en religies zal leiden tot meer wederzijds begrip, een afname van vooroordelen, en een toename van het samenhorigheidsgevoel (Pitner, 2007). Tegelijkertijd, veronderstelt men dat deze programma’s bijdragen aan economische ontwikkeling en geletterdheid in rurale gebieden terwijl de participanten relevante werkervaring opdoen en hun tewerkstellingskansen verhogen (Obadare, 2007).

 

Ondanks het grote aantal nationale dienstverleningsprogramma’s op het Afrikaanse continent, is er bijzonder weinig empirisch onderzoek naar de impact en werking van deze programma’s. Bovendien zijn het kleine aantal bestaande studies veeleer kwalitatief van aard (zie o.a. Marenin, 1989; Maakwe, 1992; Molefe, 2001; Patel, 2009; Moleni, 2007; Obadare, 2010). Deze doctoraatsverhandeling komt tegemoet aan deze academische lacune door middel van een systematische analyse van de impact van de twee grootste en verplichte nationale dienstverleningsprogramma’s op het Afrikaanse continent: Ghana’s National Service Scheme (NSS) en Nigeria’s National Youth Service Corps (NYSC). Hierbij wordt gebruik gemaakt van twee brede onderzoekstradities die grotendeels los van elkaar tot stand gekomen zijn: sociologisch en sociaal-psychologisch werk over de contact hypothese (zie o.a. Brown & Hewstone, 2005; Pettigrew, 1998; Pettigrew & Tropp, 2006; Tausch & Hewstone, 2010) en politiek-historisch onderzoek over nation-building in Afrika (zie o.a. Berman et al., 2004b; Dorman, Hammett, & Nugent, 2007). De volgende drie onderzoeksvragen worden behandeld in deze studie: (1) In welke mate zijn toekomstige deelnemers bereid om deel te nemen aan de nationale dienst? En hoe kunnen verschillen in dit engagement theoretisch en empirisch verklaard worden? (2) Leidt deelname aan de nationale dienst tot positievere attitudes ten aanzien van andere etnische groepen? Zo ja, onder welke condities? (3) Dragen de programma’s bij aan nationale eenheid door middel van het versterken van de nationale identiteit? Onder welke condities?

Deze vragen worden beantwoord door middel van een quasi-experimenteel onderzoeksdesign waarbij meerdere cohorten van afstuderende universiteitsstudenten deelnemen aan een online survey zowel voor als na hun participatie in het nationale dienstverleningsprogramma.

 

Betreffende de eerste onderzoeksvraag tonen de bevindingen in hoofdstuk 2 van deze doctoraatsthesis dat studenten gemiddeld erg uitkijken naar hun deelname in de nationale dienst in beide landen. Deze hoge bereidwilligheid kan in de eerste plaats verklaard worden door de perceptie dat de nationale dienst een belangrijke bijdrage levert aan de tewerkstellingskansen en persoonlijke ontwikkeling van de deelnemers. Daarnaast zijn de studenten doorgaans meer bereid om deel te nemen wanneer ze vertrouwen hebben in de administraties die de programma’s beheren en overtuigd zijn van de effectiviteit van de nationale dienst. Ten slotte kijken respondenten die zich sterker identificeren met hun nationale identiteit meer uit naar hun deelname aan de nationale dienst.

 

Wat de tweede onderzoeksvraag betreft, tonen de analyses van twee out-groep attitudes in hoofdstuk 3 een duidelijke aanwezigheid van etnische stereotypen en voorkeuren voor co-etnische relaties in Ghana en Nigeria. In het geval van de stereotiepen tonen de empirische resultaten geen systematische veranderingen na deelname in de nationale dienst in beide landen. De analyse van co-etnische voorkeuren in sociale relaties toont echter een ander beeld. Hier tonen de analyses een significante verandering in de Ghanese steekproef, maar niet in de Nigeriaanse steekproef. Respondenten in Ghana vertonen significant minder sterke voorkeuren voor co-etnische relaties na de nationale dienst. Uit bijkomende longitudinale analyses blijkt dat deze verandering voornamelijk te wijten is aan toegenomen contact met leden van andere etnische groepen en het sluiten van vriendschappen over etnische grenzen heen tijdens de deelname in het programma. Hoewel er in Nigeria geen algemeen effect gedetecteerd kan worden, vinden we ook hier dat deelname in het programma een significante verandering in de attitudes teweeg brengt indien de respondenten aangeven meer contact te hebben gehad met andere groepen en nieuwe vrienden hebben gemaakt met een andere etnische achtergrond.

 

Hoofdstuk 4 behandelt de derde onderzoeksvraag en kijkt naar de impact van deelname in de programma’s op nationale identiteit, gemeten door nationale trots. In beide steekproeven tonen de resultaten een significant positief effect van deelname aan de nationale dienst op de meting van nationale identiteit. Daarnaast tonen de analyses dat deze effecten het grootst zijn voor respondenten die een hogere frequentie en kwaliteit van contact rapporteren met mensen van andere etnische groepen. Deze bevindingen ondersteunen Pitner’s (2007) argument dat nationale dienstverlening kan bijdragen tot nationale eenheid omdat de programma’s interacties tussen groepen bevorderen.

 

De bevindingen van dit onderzoek bieden dus empirisch bewijs voor de potentiële rol die nationale dienstverleningsprogramma’s kunnen spelen bij het stimuleren van nationale eenheid en de cruciale rol van contact tussen groepen in dit proces. De implicaties van deze bevindingen, de beperkingen van de studie, en potentiële beleidsaanbevelingen worden besproken in de conclusie.

Datum:1 okt 2014  →  24 sep 2019
Trefwoorden:Nation-Building, Contact Theory, National service
Disciplines:Onderwijscurriculum, Onderwijssystemen, Algemene pedagogische en onderwijswetenschappen, Specialistische studies in het onderwijs, Andere pedagogische en onderwijswetenschappen
Project type:PhD project