< Terug naar vorige pagina

Project

Klinische en biomechanische resultaten bij patiënten met een knieprothese

Een knieprothese blijft de voorkeursbehandeling voor vergevorderde knieartrose. Het  Belgische nationale register voor orthopedie rapporteert dat er jaarlijks meer dan 20.000 knieprothese procedures worden uitgevoerd. Meestal wordt er voor een totale knie prothese (TKP) gekozen. Deze operatietechniek bestaat uit het vervangen van het volledige kniegewricht (met inbegrip van beide kruisbanden). Indien degeneratie zich tot een compartiment (mediale of latereale) beperkt zal vaak gekozen worden voor het plaatsen van een unicondylaire knie prothese (UKP). Dit laatste type zal, in tegenstelling tot een TKP, enkel het verseleten compartiment vervangen. Daarnaast zal bij een UKP de integriteit van de kruisbanden bewaart worden. Dit wordt als gunstig beschouwt, omdat de kruisbanden een belangrijke rol spelen in de proprioceptie functie en stabiliteit van de knie [2].

Ondanks de populariteit van de knieprothesen, rapporteert 30% van de patiënten problemen bij hun terugkeer naar recreatieve en werkgerelateerde activiteiten, wat voor hoge ontevredenheid zorgt binnen deze populatie [1]. De onderliggende oorzaak van deze problematiek blijft helaas tot op heden onduidelijk. Verder zijn er weinig tot geen studies die de verschillen in klinische (spierkracht, mobiliteit, pijn en functie) en biomechanische (kinematica en kinetica van lopen en functionele bewegingen) parameters vergelijken na het plaatsen van een UKP of TKP. Bovendien werd in een recente systematische review aangegeven dat er een hoge nood is aan studies die bewegingsgerelateerde parameters bij UKP en TKP patiënten vergelijken tijdens veeleisende taken van het dagelijkse leven [3].


Dit project zal zich daarom voornamelijk richten op de longitudinale evaluatie van de klinische en biomechanische parameters bij patiënten met een UKP en TKP. In deze 2-jarige longitudinale studie zullen patiënten vijf maal (3 dagen, 6 weken, 6 maanden, 1 jaar en 2 jaar postoperatief) worden geëvalueerd. De klinische parameters zullen worden onderzocht door middel van gestandaardiseerde vragenlijsten (functie), dynamometrie (spierkracht) en goniometrie (mobiliteit). De biomechanische variabelen zullen worden geëvalueerd met behulp van inertial measurement units (IMU). Deze sensoren zijn kleine doosjes die uit een versnellingsmeter, gyroscoop en een magnetometer bestaan. Deze sensoren zijn bovendien ook draadloos en van batterijen voorzien, wat ons mogelijk maakt om patiënten te evalueren in situaties waarbij het gebruik van een standaard camera systeem niet moglijk is [4].

 

                                                     

1.           Bourne R, Chesworth B, Davis A, Mahomed N, Charron K (2010) Patient Satisfaction after Total Knee Arthroplasty: Who is Satisfied and Who is Not? Clin Orthop Relat Res 468:57-63

2.           Fridén T, Roberts D, Ageberg E, Waldén M, Zätterström R Review of knee proprioception and the relation to extremity function after an anterior cruciate ligament rupture. The Journal of orthopaedic and sports physical therapy 31:567

3.           Komnik I, Weiss S, Fantini Pagani CH, Potthast W (2015) Motion analysis of patients after knee arthroplasty during activities of daily living – A systematic review. Gait & Posture 41:370-377

4.           Shull PB, Jirattigalachote W, Hunt MA, Cutkosky MR, Delp SL Quantified self and human movement: A review on the clinical impact of wearable sensing and feedback for gait analysis and intervention. Gait & Posture 40:11-19

Datum:1 okt 2016  →  Heden
Trefwoorden:Knee arthroplasty, Movement analysis, Inertial sensors
Disciplines:Orthopedie, Humane bewegings- en sportwetenschappen, Revalidatiewetenschappen
Project type:PhD project