< Terug naar vorige pagina

Project

Kennisgebaseerde praktijkmaatregelen voor een betrouwbare beheersing van Little Cherry

De doelgroep omvat alle actoren die geconfronteerd worden met LChV:  enerzijds bedrijven actief in de commerciële kersenteelt (professionele kersentelers en boomkwekerijen behoren), anderzijds instanties en particulieren die niet professioneel actief zijn in de kersenteelt (eigenaars van hoogstamboomgaarden en (sier)kerselaars in open ruimten en tuinen).

Dit project heeft dan ook als algemeen doel om een kennisonderbouwde duurzame beheersingsstrategie voor Little cherry virus te ontwikkelen en te implementeren in de praktijk. Hiervoor willen we de kennishiaten van het virus(complex) en zijn vectoren via praktijkonderzoek achterhalen. Op basis van deze gegevens willen we praktijkmaatregelen uitwerken en testen om de introductie, besmetting en verspreiding van de ziekte te verhinderen. Alzo kunnen we een leidraad met beheersmaatregelen opstellen en deze in de praktijk ondersteunen.    Dit project richt zich in de eerste plaats tot de kersenteeltsector die momenteel in een expansiefase zit in Vlaanderen, met een toename in investeringen zoals oogstbescherming, intensievere aanplanting met zwakgroeiende onderstammen, sorteerinstallaties en hydrocooling. De voorbije jaren wordt de kersenteelt echter geteisterd door het gevreesde Little cherry virus (LChV). De onzekerheid rond de beheersing van dit virus vormt een bedreiging die de verdere opmars van de kersenteelt ernstig hypothekeert. LChV tast in hoofdzaak zoete kersen (Prunus avium) aan die na infectie kleine, smaakloze kersen geven die niet meer vermarktbaar zijn, maar ook zure kersen (Prunus cerasus) en sierkersen kunnen latent worden aangetast. Aangezien er geen curatieve behandeling voor aangetaste bomen beschikbaar is, moeten besmette bomen worden gerooid om verdere verspreiding van het virus te voorkomen. Gezien de grote impact hiervan op productieverliezen in de commerciële kersenteelt, dringt een duurzame beheersing zich op.  Dit project heeft dan ook als algemeen doel om een kennisonderbouwde duurzame beheersingsstrategie voor Little cherry virus te ontwikkelen en te implementeren in de praktijk.  Dit algemene doel willen we verwezenlijken door een aantal concrete doelen na te streven, zijnde:  (1) Een aantal cruciale kennishiaten rond het virus(complex) (epidemiologie, overleving, besmettingsrisico uitgangsmateriaal, gevoeligheid cultivar/onderstam, snelle betrouwbare in field detectiemethode) via praktijkgericht onderzoek te achterhalen.  (2) Een aantal cruciale kennishiaten rond de insectvectoren en hun rol in de verspreiding van LChV via praktijkgericht onderzoek te achterhalen.  (3) Uitwerken en testen van praktijkmaatregelen die de introductie (aangepaste procedures in productie van het vermeerderingsmateriaal op basis van snelle detectie/certificeringstrategie, gebruik resistente/tolerante onderstammen/cultivars), besmetting en verdere verspreiding van de ziekte effectief verhinderen op basis van risico-evaluatie en kennis opgedaan in (1) en (2).  (4) Opstellen en communiceren van een leidraad met effectieve beheersmaatregelen en ondersteuning van de brede implementatie ervan in de praktijk.  Dit project zal zodoende een essentiële hefboom betekenen om complementair met de recent opgestarte sensibiliseringsactie via kennisgebaseerde beheersmaatregelen het LChV een halt toe te roepen. Concreet verwachten we dat op het einde van dit traject er een duidelijke verandering is opgetreden in de (daadwerkelijke) uitvoering van beheersmaatregelen binnen de verschillende subdoelgroepen (professionele kersentelers, boomkwekerijen, eigenaars van hoogstam/(sier)kerselaars) van dit project. Hierbij stellen we voorop dat bij minstens 100 doelgroepbedrijven de hier ontwikkelde beheersmaatregelen en technologie/diensten (snelle detectietechniek/waarschuwingen en advies) worden toegepast.  


Samenvatting resultaten:

Vóór aanvang van dit traject vormde de ziekte Little cherry één van de belangrijkste belemmeringen die de opmars van de kersenteeltsector hypothekeerde. LChV tast in hoofdzaak zoete kersen (Prunus avium) aan die na infectie kleine, smaakloze kersen geven die niet meer vermarktbaar zijn, maar ook zure kersen (Prunus cerasus), sierkersen en zelfs pruimen bleken latent te kunnen worden aangetast. Aangezien er geen curatieve behandeling voor aangetaste bomen beschikbaar is, moeten besmette bomen gerooid worden om verdere verspreiding van het virus te voorkomen. Gezien de grote impact hiervan op productieverliezen in de commerciële kersenteelt, is een duurzame beheersing nodig.

Het hoofddoel van dit project was de ontwikkeling en brede praktijkimplementatie van een kennisonderbouwde leidraad voor de beheersing van Little cherry. Om tot een betrouwbare beheersing van Little cherry te komen hebben we in de eerste twee werkpakketten (WP1 en 2) de vereiste kennisopbouw rond zowel de ziekte zelf als rond de diverse verspreidingsmogelijkheden via vectoren gedaan. Op basis van de gegenereerde kennis hebben we in WP 3 en 4 een aantal beheersmaatregelen opgesteld en getoetst in praktijktoepassingen.

In de loop van dit traject werden belangrijke kennishiaten rond de LChV problematiek opgehelderd. Op basis van de epidemiologische studie en uitgebreide moleculaire analyses blijkt dat de insleep van Little cherry virus 1 en 2 (LChV-1 en LChV-2) binnen Vlaanderen voornamelijk door oud geïnfecteerd vermeerderingsmateriaal is gebeurd. Dankzij de continue en intensieve LChV monitoring hebben we belangrijke stappen vooruit gezet, zoals een betere inzicht in de symptomatologie doorheen het seizoen, een duidelijk inzicht over de verspreiding van het virus in en tussen de bomen en de mogelijke overdracht naar andere Prunus soorten.  Op basis van de verworven kennis en sequentie-analyses werd een snelle moleculaire Loop-mediated isothermal amplification (LAMP) detectietechniek ontwikkeld. Aangezien deze LAMP-techniek gebaseerd is op de sequentiegegevens van een grote collectie van virusisolaten is ze betrouwbaarder dan de klassieke beschikbare PCR-testen. Door dezelfde  testcondities voor beide virussen LChV-1 en LChV-2 te ontwikkelen wordt daarnaast bovendien ook nog een grote tijdswinst geboekt in vergelijking met de PCR-testen. Verder werd inzicht bekomen in de gevoeligheid/tolerantie voor LChV van een reeks kersenvariëteiten en onderstammen. Deze kennis laat toe om in de toekomst voor minder gevoelige onderstammen/rassen te kiezen. Langs de andere kant is voorzichtigheid geboden bij rassen die weinig of geen symptomen vertonen bij infectie, daar zij een onopgemerkte bron kunnen vormen die een verdere verspreiding van de ziekte  kan bewerkstelligen. De uitkomsten in het project tonen bovendien duidelijk aan dat een diagnose stellen op basis van enkel bladsymptomen zeer moeilijk is, en dus dient te gebeuren mbv een moleculaire test (PCR, LAMP). Hierbij dient de bemonstering correct uitgevoerd te worden: in het najaar op een mix van bladeren met en zonder symptomen, het hele jaar rond op twijgen.

De aanwezigheid van wol-, blad- en schildluizen vormt een risico voor het verspreiden van de ziekte indien bomen latent besmet zijn, zoals de projectresultaten aantonen dat zij drager van LChV kunnen zijn. Naast de reeds gekende vector (appelwolluis) blijkt dat ook jonge nimfen van de zwarte kersenluis (Myzus cerasi) en de gewone dopluis (Parthenolecanium corni), weliswaar in labo-omstandigheden, LChV-2 ook effectief te kunnen overdragen. Ook zeker vermeldenswaardig is dat in de cicade Empoasca decipiens er consequent LChV-1 werd gedetecteerd maar we konden binnen de tijdspanne van dit project niet bewijzen dat dit effectief een vector voor LChV-1 is. De bestrijding van de insectvectoren met behulp van gewasbeschermingsmiddelen dient op het juiste tijdstip binnen de populatiedynamica van de insectvectoren uitgevoerd te worden. De in België erkende gewasbeschermingsmiddelen hebben een goede werking mits een correcte toepassing. Bij aanwezigheid van besmette bomen is het noodzakelijk om de infectiebron onmiddellijk en volledig te verwijderen zodat er geen verdere verspreiding kan optreden. Naburige bomen zonder symptomen kunnen ook al besmet zijn en worden dus best ook gerooid. In achtergebleven wortelstukken van gerooide besmette bomen kan het virus lange tijd overleven en mogelijks nieuwe kerselaars infecteren. Ontsmetten van de bodem met Ca(OH)2 kon dit niet vermijden. Het is dus noodzakelijk om overblijvende wortels effectief af te doden (bv door herbiciden) of geruime tijd (min.1,5 jaar) te wachten met het herinplanten. Ca(OH)2 kan wel aangewend worden om een barrière te maken tussen gezonde en potentieel besmette bomen (bv tussen commerciële laagstam en er naast gelegen landschaps-/hoogstamboomgaard). Voorlopige resultaten tonen aan dat het snoeimateriaal geen risico op zich vormt voor het overbrengen van LChV maar door de relatief beperkte proefduur dienen deze resultaten best bevestigd te worden.

De verworven kennis werd vertaald in een leidraad aan praktische beheersmaatregelen om toekomstige besmetting en verdere verspreiding van de ziekte zoveel mogelijk te vermijden. De verschillende beheersmaatregelen waaronder de (bemonsterings)procedures en de ontwikkelde moleculaire LAMP-detectietechniek voor een snelle en betrouwbare diagnostiek, aandachtspunten bij het gebruik van resistente/tolerante onderstammen/cultivars, effectieve bestrijdingsstrategieën voor insectvectoren en hygiënemaatregelen na rooien, werden in diverse praktijkproeven getoetst, gedemonstreerd en gecommuniceerd naar de doelgroep van dit LA-traject.

Dit project richtte zich in de eerste plaats tot de kersenteeltsector die momenteel in een expansiefase zit in Vlaanderen. Naast de professionele kersentelers zijn ook de boomkwekerijen een belangrijke speler in deze sector. De ontwikkelde betrouwbare moleculaire detectietechnieken als basis voor een strategie die de enthoutparken van verzekerd LChV-vrij uitgangsmateriaal kan voorzien zal zowel de (inter)nationale uitstraling als de internationale competitiviteit van onze Vlaamse boomkwekerijen in de onmiddellijke toekomst sterk ten goede komen. Maar ook andere belanghebbenden zoals de Nationale Boomgaarden Stichting, Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren, en diverse overheden en instanties (steden, provincies, gewesten, FOD Volksgezondheid Dienst plantenbescherming en het FAVV) werden actief betrokken in de kennisoverdrachtsactiviteiten van dit LA-traject.

Doorheen het traject zijn we er dankzij de sensibilisering, de verworven inzichten en praktijktoepasbare beheersmaatregelen in geslaagd om de LChV-problematiek grotendeels te ontmijnen. Dit heeft een solide basis en één van de triggers gevormd voor  een sterk gestegen interesse in de Vlaamse kersenteelt, en een stroomversnelling aan investeringen voor een hoog-rendabele kersenteelt (zoals oogstbescherming (regenoverkappingen), intensievere aanplanting met zwakgroeiende onderstammen, sorteerinstallaties en hydrocooling. Alhoewel het moeilijk is om exact te becijferen hoe groot het aandeel van een betere kennis en beheersing van LChV in deze positieve trend is, is er ongetwijfeld een directe en indirecte impact van het onderzoek. De directe impact via de gestegen productie van kwaliteitsvolle kersen door het systematisch verminderen van LChV geïnfecteerde bomen/boomgaarden. De indirecte impact door de onzekerheid en vrees voor LChV weg te nemen en zo de katalysator te vormen van nieuwe aanplanten en investeringen. 


Datum:1 sep 2015  →  31 aug 2019
Trefwoorden:Little Cherry virus, steenfruit, kersen, vectoren, stekend-zuigende insecten, RT-LAMP, loop-mediated isothermal amplification test
Disciplines:Andere landbouwwetenschappen, diergeneeskunde en levensmiddelenwetenschappen
Project type:Samenwerkingsproject