< Terug naar vorige pagina

Project

Innoverende aanpak voor nitraatreductie in land- en tuinbouwgebieden

In 2015 kleurde in Vlaanderen 21% van de MAP-meetpunten rood terwijl Europa de doelstelling oplegde om tegen 2018 slechts 5% rode MAP-meetpunten te hebben. In ongeveer 35% van deze rode MAP-meetpunten is nitraatrijk drainagewater van landbouwpercelen de oorzaak. Omdat een doorgedreven strenge bemesting geen garantie biedt tot lagere nitraatconcentraties in het drainagewater, zeker niet in intensieve teelten met hoge latente stikstof en ondiep wortelgestel, dringen andere oplossingen zich op.
In het VLAIO LA-traject 'Innoverende aanpak voor nitraatreductie in land- en tuinbouwgebieden' dat op 1 september 2016 van start is gegaan, bundelden het PCG (coördinator), Inagro, het Proefstation voor de Groenteteelt (PSKW) en KULeuven – Technologiecampus De Nayer - voor een periode van 4 jaar hun krachten om een oplossing uit te werken. Tijdens het project werd een best beschikbare techniek (BBT) ontwikkeld om te velde nitraten uit drainagewater te halen, daar waar strikte bemesting onvoldoende verbetering brengt aan de waterkwaliteit.
WP1: “Studie nutriëntenstromen in het drainagewater” Vooraleer een geschikte behandeling van het drainagewater kon doorgevoerd worden, werd een inventarisatie gemaakt van de eigenschappen van drainagewater: welke concentraties aan nitraten vinden we terug, wat zijn de debieten die moeten verwerkt worden en hoe evolueert dat tijdens het seizoen? Ook de invloed van dat drainagewater op het nitraatgehalte in de ontvangende waterloop was van belang om de optimale locatie van de BBT te bepalen. Voor deze studie werd daarom per proefcentrum het afstroomgebied van één rood MAP-meetpunt uitgekozen. Deze selectie gebeurde op basis van de terreinkennis van het CVBB. Bij de start van het lopen van de drainages werd in elke regio een gedetailleerde studie uitgevoerd in het ganse afstroomgebied van het vooropgestelde MAP-meetpunt. Debieten en nitraatconcentraties werden er opgevolgd om dimensionering en locatie van de BBT te bepalen. Tijdens de opvolging stelden we vast dat nitraatconcentraties aan drainagebuizen en aan MAP-meetpunt sterk kunnen variëren over de jaren heen: zo kan er wel 20 tot 60% verschil optreden tussen 2 jaren. Bij andere MAP-meetpunten kan dit dan eerder constant zijn. De range van nitraatconcentraties aan drainagebuizen varieerden tussen 44-270 mg NO3-/L. We constateerden bij de opgevolgde cases wel een verdunningseffect van de beek, waardoor de concentraties aan het MAP-meetpunt zelf toch een stuk lager lagen. De timing van het vrijkomen van nitraten varieert tussen de jaren en tussen percelen: soms kwamen nitraten geleidelijk aan vrij: de grootste concentratie werd dan gemeten in de 2e helft van het drainageseizoen (februari-maart), maar na droge zomers stelden we meestal vast dat de meeste nitraten vrijkwamen na eerste grote regenval: eind december – januari. Ook debieten aan drainagebuizen konden sterk variëren: zo werden er in het 2e jaar 2 tot 4x hogere debieten vastgesteld t.o.v. eerste jaar. Debieten van 30-2600 l/u werden gemeten. Uit metingen bleek ook dat de drainagebuis slechts 5% vormt van het debiet in de ontvangende waterloop. Uit de metingen konden we concluderen dat de hoeveelheid drainagewater in winterperiodes sterk afhankelijk is van hoeveelheid en intensiteit van de gevallen neerslag, de grootte van het gedraineerde perceel, de helling, bodemsoort en het al of niet goed functioneren van de drainages. Deze cijfers werden meegenomen naar WP2. WP2 “Van spui naar velddrainagewater”
De belangrijkste doelstelling van werkpakket 2 was het uitwerken van een proof-of-concept voor een zuiveringssysteem voor de behandeling van nitraatrijk drainagewater. Deze proof-of-concept werd op zijn beurt uitgevoerd op drie praktijkinstallaties gebouwd voor veldproeven op velddrainagewater in werkpakket 3. Het werk geleverd binnen werkpakket 2 kan dus beschouwd worden als voorbereidend experimenteel onderzoek in functie van werkpakket 3. Op basis van de kennis die reeds vergaard werd tijdens experimenteel onderzoek door de KU Leuven naar de behandeling van spui in de glastuinbouwsector werd een behandelingstechniek op basis van biologische denitrificatie aan de hand van MBBR-technologie (Moving Bed Biofilm Reactor) voorgesteld. Deze technologie had reeds bewezen dat nitraat op een kosteneffectieve manier en met een hoog rendement uit spui kon verwijderd worden. Daarenboven had de praktijk al uitgewezen dat het zuiveringssysteem robuust is, weinig onderhoud vraagt en vrij eenvoudig te bedrijven is. Alvorens de stap werd gezet naar het ontwerp en de bouw van MBBR installaties in het veld, was het noodzakelijk om de belangrijke bottlenecks die verbonden zijn aan het behandelen van drainagewater meer in detail te bestuderen op laboratoriumschaal, met een bijzondere focus op de verschillen met de behandeling van spui:
  • Drainagewater heeft een relatief lage watertemperatuur in vergelijking met spui (drainagewater loopt vooral tijdens het najaar, de winter en eventueel het begin van het voorjaar)
  • Drainagewater wordt gekarakteriseerd door sterk variabele waterdebieten en nitraatconcentraties met periodes van piekbelasting en nulbelasting.
  • Drainagewater bevat vaak geen of heel lage concentraties aan fosfor, wat een essentieel element om de groei van de denitrificerende biomassa te garanderen.
Deze drie bottlenecks hebben ervoor gezorgd dat er bij het uitwerken van het proof-of-concept van de MBBR installatie extra aandacht moest besteed worden aan de winterwerking van de MBBR installatie en de gevolgen hiervan op de dimensionering van het zuiveringssysteem. Daarnaast werd er ook extra aandacht geschonken aan de zoektocht naar de meest geschikte koolstof- en fosforbron om de denitrificatie optimaal te laten verlopen en de selectie van het juiste type dragermateriaal als aanhechtingsoppervlak voor de denitrificerende biomassa.Uit het experimenteel werk dat uitgevoerd werd op laboratoriumschaal werd aangetoond dat de watertemperatuur een belangrijke invloed heeft op de denitrificatiesnelheid (uitgedrukt in g NO3-N/m2.d of g NO3-N/m3.d). Omdat drainagewater voornamelijk in de periode van oktober tot maart vloeit kan het zijn dat tijdens de wintermaanden de watertemperatuur zakt naar temperaturen die lager liggen dan 8°C, wat ervoor zorgt dat de denitrificatiesnelheid meer dan halveert ten opzichte van de referentie denitrificatiesnelheid bij 20°C. Een halvering van de denitrificatiesnelheid ten opzichte van de referentietemperatuur van 20°C wil zeggen dat de benodigde hydraulische verblijftijd in de MBBR dubbel zo lang moet worden, waardoor het noodzakelijke MBBR volume dus ook verdubbelt. In het kader van het LA-traject werden een aantal commercieel beschikbare koolstofbronnen op laboratoriumschaal uitgetest: melasse, Bio-aid, Carbo ST en Carbo BWB-60. Uit deze vergelijkende studie bleek dat Carbo ST (0.865 €/kg), een glycerol gebaseerde koolstofbron, kan beschouwd worden als de meest aangewezen koolstofbron, zowel uit technisch als economisch oogpunt. De koolstofbron wordt gekenmerkt door een goede ‘winterwerking’ en een kost van ongeveer 4.5  à 5 € per kg te verwijderen NO3-N.
Het experimenteel werk op laboratoriumschaal toonde ook aan dat de koolstofbron gedoseerd dient te worden in een C:N verhouding van minimaal 5 g COD/g NO3-N. De dosering van de fosforbron kan uitgevoerd worden aan de hand van fosforzuur waarbij een P:N verhouding van minimaal 0.000875 g P/g NO3-N moet aangehouden worden. Uit economisch oogpunt werd er geopteerd om de pilootinstallaties in het veld uit te rusten met een niveauregeling om de koolstof- en fosforbron debietsproportioneel te doseren door een klassieke membraandoseerpomp enkel te activeren wanneer er influent naar de MBBR wordt gepompt. Tijdens het onderzoek naar het type MBBR dragermateriaal werden verschillende AnoxKaldnesTM carriers van de leverancier Veolia Water Technologies in overweging genomen. Het K5 carriermateriaal (1300 €/m3 excl. BTW) werd geselecteerd als beste beschikbare carriermateriaal voor deze specifieke toepassing en dit voornamelijk vanwege zijn groot specifiek oppervlak (=aanhechtingsoppervlak) van 800 m2/m3. Er werd een vullingsgraad van het carriermateriaal van 30% bij het opstarten van de MBBR installaties in het veld vooropgesteld. Het mengen van het carriermateriaal bleek een beperkende factor te zijn om de vullingsgraad verder te kunnen verhogen. Om het carriermateriaal in suspensie te houden, en om het transport van het substraat (= nitraat en koolstofbron) naar de biofilm te garanderen moet een zekere turbulentie in de MBBR worden voorzien. Als goedkoper en technisch eenvoudiger alternatief voor mechanische mixers werd geopteerd om via periodieke beluchting (klassieke beluchtingspomp en schotelbeluchter) het biofilmbed in beweging te brengen. Deze methode van mixen is in principe in conflict met één van de voorwaarden om de heterotrofe denitrificatie optimaal te laten verlopen: anoxische omstandigheden en een lage redox potentiaal. Door slechts periodiek te gaan beluchten zal slechts op bepaalde tijdstippen de zuurstofconcentratie slechts beperkt stijgen in de reactor. Wanneer er voldoende koolstofbron gedoseerd wordt zal deze stijging zelfs nauwelijks waarneembaar zijn en zal een voldoende lage zuurstofconcentratie en redox potentiaal kunnen gegarandeerd worden.WP3: “Opschalen, optimaliseren en valideren van de ontwikkelde technieken in de praktijk (proof-of-concept)”
Op basis van de vergaarde kennis binnen het werkpakket 2: ‘Van spui naar velddrainagewater’ werd een basisconcept voor de denitrificerende MBBR voor de behandeling van drainagewater uitgewerkt . Daarnaast werd ook een dimensioneringstool ontwikkeld om op basis van een beperkt aantal gegevens over het drainagewater een schatting te maken van de dimensies van de MBBR. De minimaal noodzakelijke gegevens voor de berekening van de dimensies van een MBBR installatie zijn: 
  1. De influent nitraatconcentratie en de vooropgestelde effluent nitraatconcentratie uitgedrukt in mg NO3-N/L
  2. Het drainagedebiet dat door de MBBR dient verwerkt te worden (Q) uitgedrukt in m3/day, 
  3. De vullingsgraad met AnoxKaldnes K5 carriers (%K5) uitgedrukt in % en 
  4. De minimale watertemperatuur waarmee rekening moet gehouden worden (T_min ). 
Vanuit het basisconcept werden 3 alternatieve uitvoeringsvormen bedacht elk met hun voor- en nadelen: De ondergrondse MBBR, de bovengrondse MBBR en het containerconcept De ondergrondse MBBR en het containerconcept scoren goed op de watertemperatuur, terwijl de denitrificatiesnelheid in de bovengrondse MBBR sterk wordt gereduceerd doordat de watertemperatuur lager wordt dan 3°C tijdens koude winterdagen. De bovengrondse MBBR en het containerconcept hebben dan weer het voordeel dat deze installaties mobiel zijn. De bovengrondse MBBR en het containerconcept werden ook uitgerust met fotovoltaïsche zonnepanelen en bijhorend Li-ion batterijpakket om de installatie off-grid te kunnen bedrijven (onafhankelijk van klassiek elektriciteitsnetwerk). Het off-grid bedrijven van MBBR-installaties in het veld is alvast geen evidentie, zeker wanneer je weet dat het overgrote deel van het drainagewater moet verwerkt worden tijdens de wintermaanden. Door de korte dagen tijdens deze periode kon er slechts een beperkte fractie van het drainagedebiet verwerkt worden (25 tot maximaal 50%) omdat de fotovoltaïsche zonnepanelen en batterijpakket onvoldoende energie konden leveren om donkere periodes te overbruggen. Algemeen kan geconcludeerd worden dat een minimaal verwijderingsrendement van 60% bereikt kon worden. Enkel voor de installatie in Onze-Lieve-Vrouw-Waver was dit onvoldoende, waardoor de lozingsnorm op bepaalde tijdstippen overschreden werd. Een optimalisatie van de koolstof- en fosfordosering kan hier een oplossing bieden
 
Naast de wetenschappelijke kennis omtrent de zuiveringsrendementen die behaald kunnen worden met de MBBR-installaties in het veld heeft de opvolging ons heel wat praktijkervaring bijgebracht die de opstart en het bedrijven van deze installaties vergemakkelijkt. Zo kon er geconcludeerd worden dat een initiële opstart van een MBBR-installatie minimaal 3 weken duurt, maar dat een heropstart het volgende seizoen veel sneller verloopt en vaak slechts 1 week in beslag neemt. De praktijk leert ons ook dat een hydraulische retentietijd (HRT) van minimaal 8 u noodzakelijk is om een influentconcentratie van 30 mg NO3-N/L te kunnen verwerken. Er kan ook besloten worden dat ook bij lage temperaturen rond 5 tot 8°C er een denitrificerende werking is in de MBBR installaties. Let wel een hogere HRT van 12u is dan wel sterk aangewezen. Onafhankelijk van de temperatuur blijkt de koolstof- en fosforbron dosering cruciaal te zijn voor de goede werking van de MBBR-installaties. De verhoudingen voor C:N en P:N die bepaald werden in werkpakket 2 moeten hiervoor gehandhaafd worden. De koolstofbron Carbo ST geeft geen aanleiding tot pH verhoging, hoewel de denitrificatie reactie dit wel doet vermoeden. Daarnaast werd ook opgemerkt dat sporen van koolstofbron als gevolg van een lichte overdosering in het effluent van de MBBR geen aanleiding geeft tot verhoogde TOC/COD waarden in de gracht of aan het MAP meetpunt. Enkele praktijkinstallaties werden uitgerust met een online pH en redox sensor voor de opvolging van de goede werking van de installatie. Uit de evaluatie van de datagegevens kon besloten worden dat de redoxpotentiaal een goede indicatie geeft of het denitrificatieproces goed of slecht verloopt. Indien de redoxpotentiaal lager ligt dan 150 mV kan gegarandeerd worden dat een voldoende hoge denitrificatiesnelheid wordt gehandhaafd. Een tekort aan koolstofbron of te lage watertemperaturen geven al snel aanleiding tot een verhoging van de redoxpotentiaal. Hoewel een online redox sensor je een goed beeld kan geven van de goede werking van de installatie blijft het aangewezen om op regelmatige basis een controle ter plaatse uit te voeren en de installatie van het nodige onderhoud te voorzien.
WP 4 “Ontwikkeling van een blauwe dienst als nevenactiviteit voor landbouwbedrijven of nieuwe taakstelling voor de waterbeheerder”  Om de BBT die ontwikkeld werd binnen dit project in de praktijk te brengen dient er een financieringsmechanisme te zijn die de implementatie mogelijk maakt. Er werd uitgegaan van het principe van een “blauwe dient” om het financieringsmechanisme vorm te geven.  Een blauwe dienst wordt gedefinieerd als: een watergerelateerde dienst of beheerrol met een positieve impact op het watersysteem, die een meerwaarde voor de maatschappij levert en door land- of tuinbouwers wordt verleend op vrijwillige basis en waar diezelfde land- of tuinbouwers een marktconforme vergoeding voor krijgen. Dergelijke dienst kan maar afgesloten worden als men meer inspanningen doet dan dat wettelijk vereist is. Een blauwe dienst is dus een ‘Payment for Environmental Services’ dat zich richt op het watersysteem om bepaalde natuur- en milieudoelstellingen te halen op een kosten efficiëntere manier dan de business as usual. Uit de literatuurstudie die binnen dit project werd uitgevoerd bleek al snel dat de achillespees van een ‘blauwe dienst’ het werken op ‘vrijwillig’ basis betreft. Uit de praktijkervaring die werd opgedaan binnen dit project op vlak van kosten die de BBT met zich meebrengt (WP5) bleek dat de investeringskosten een groot struikelblok zouden zijn wanneer deze enkel met privé middelen dienden te worden bekostigd. Daarnaast gelegd dat een goede waterkwaliteit een zaak is van heel wat stakeholders werd ervoor gekozen om in te zetten op een systeem waarbij niet alleen privé middelen maar ook publieke middelen worden ingezet om de investering en de werking van de BBT in een gebied te bekostigen. Uit onderling overleg met de verschillende belanghebbenden kwam naar voor dat volgende stakeholdergroepen dienen te worden betrokken bij het uitbouwen van een financieringsmechanisme, daar een goede waterkwaliteit belangrijk is voor iedereen:  Overheden  Drinkwatermaatschappijen  Natuurorganisaties  Veilingen  Verwerkende industrieën  Landbouwers Door de financiële draagkracht van de verschillende stakeholders en de grote van de investeringsbedragen en exploitatiekosten te bekijken werd tot een financieringsschema gekomen waarbij er een kleine nuance zit in de plaatsing van de deelnemende stakeholdergroepen.  
Binnen het financieringsmechanisme werd een onderscheid gemaakt tussen gebeid dekkende stakeholders (overheden, natuurorganisaties, drinkwatermaatschappijen) en hectare afhankelijke stakeholders (verwerkende industrie, veilingen, landbouwers)  
Bij de gebied dekkende stakeholders wordt een vaste bijdrage voor ogen gehouden terwijl bij de hectare afhankelijke stakeholders met een bijdrage wordt gerekend die gerelateerd is aan de risico van de teelt naar nitraatuitspoeling en het aantal hectare.  In het verslag rond het financieringsmechanisme wordt het volledige mechanisme in detail uitgelegd.   Het implementeren van de techniek zou de waterkwaliteit ten goede komen, maar door de huidige wetgeving (die verstrengd is tijdens de duur van het project) zou dit zorgen voor een toenemende financiële druk op de landbouwbedrijven die deelnemen en het goed voorhebben met de waterkwaliteit. Mocht in de toekomst deze BBT als equivalente maatregel kunnen worden opgenomen of als er op andere manieren via inspanningsverbintenissen voordelen kunnen worden gehaald voor de landbouwers dan kan een vlottere implementatie in de praktijk bekomen worden. Een verder aftasten van de mogelijkheden is hier aan de orde.  Dit betalingsmechanisme is een basis waarmee kan worden gewerkt, daar iedere regio zijn eigenheid heeft en niet elke stakeholdergroep in iedere regio aanwezig zal zijn.   Een rekentool werd uitgewerkt waarbij kan nagegaan worden waar één of meerdere BBT’s het best kunnen worden in gezet om een zo groot mogelijke impact te hebben op de waterkwaliteit. Hieraan gekoppeld berekend de tool ook de kosten die met dergelijke installaties gepaard gaan. Deze kosten kunnen dan in de rekentool voor de bijdragen worden gebruikt om te zien hoeveel elke partij dient bij te dragen om de BBT gefinancierd te krijgen.   WP 5 “Economische analyse
”In dit werkpakket zijn in een eerste luik de kostprijzen voor de installaties uitgewerkt. De jaarlijkse kost voor de teler werd berekend door de aankoopprijs van de installatie te financieren met een lening over een termijn van 15 jaar aan een rente van 4% in combinatie met de jaarlijkse operationele kost. De aankoopprijs per installatie varieert van 30 000 € voor de ondergrondse reactor met aanwezige stroomvoorziening in OLVWaver. De installatie in Buggenhout met stroomvoorziening door een aftakking is geraamd op 36 900 €. Een volledig off grid systeem in Staden met energievoorziening door zonnepanelen bedraagt 46 000 €. De operationele kosten, dit zijn de kosten om de installatie te laten werken, variëren van 1562 € naar 2830 € per jaar. Deze kosten omvatten kosten voor onderhoud, aankoop van wisselstukken, kosten voor elektriciteit indien aangesloten op het net, en kosten voor de koolstofbron. Deze laatste kost is afhankelijk van de nitraatvracht. Er werd gerekend met een nitraatvracht waarop de installaties gedimensioneerd zijn. De jaarlijkse kost voor de teler bestaat uit de som van de jaarlijkse afbetalingskost en de operationele kost. Deze varieert tussen 5500 – 6000 €/jaar. Door de jaarlijkse kost te delen door de hoeveelheid gezuiverde stikstof (kg) kan er en zuiveringskost uitgedrukt in €/kg N berekend worden. Deze varieert van 105 – 135 €/kg N. Deze prijzen kunnen verlaagd worden door enerzijds het zuiveringsrendement van de installaties te verhogen. De huidige modellen behalen een zuiveringsrendement van 65 – 70 %. Een tweede manier om zuiveringskost per kg N te drukken is ervoor te zorgen om de installatie te plaatsen op een locatie met een hoge nitraatvracht. Dit zijn plaatsen met hoge debieten en/of hoge N concentraties. Voorkeur gaat uit naar drainagebuizen aangesloten op moerbuizen of uitmonden in drainageputten of plaatsen waar meerdere telers kunnen participeren.  Niet zuiveren brengt ook kosten met zich mee. De achteruitgang van de waterkwaliteit in Vlaanderen resulteert in verstrengde mestactieplannen. Hierin worden maatregelen opgelegd met financiële gevolgen voor de betrokken telers.  In gebiedstype (GT) 2 en 3 worden telers verplicht vanggewassen in te zaaien. Dit kan in GT 3 oplopen tot minimum 20 % van het bouwareaal. Voor kleinere telers, gespecialiseerd in één bepaalde teelt kunnen deze kosten zeer hoog oplopen, door het verlies aan de productie van de late teelt. In 2 praktijkvoorbeelden worden de kosten geraamd op 3000 €/ slateler en 5500 € voor een chrysantenteler. Deze bedragen liggen in dezelfde grote orde dan jaarlijkse zuiveringskost indien een MBBR zou geplaatst worden. Het niet inzaaien van vanggewassen gaat ook gepaard met administratieve boetes van 250 €/ha. Op basis van de verzamelaanvragen en terreincontroles werden op het einde van MAP 5, 17 boetes met een totaalbedrag van 5095 € geïnd. De vanggewas maatregel was toen echter alleen van toepassing op focusbedrijven categorie 3. Dit waren 173 bedrijven. 10 % hiervan voldeed dus niet.  In MAP 6 is deze maatregel van toepassing op 15 367 bedrijven. Indien de 10 % op basis van MAP 5 zich ook manifesteert op het aantal bedrijven in MAP 6, zijn hier ook bedragen aan geldboetes te verwachten waarmee meerdere MBBR’s kunnen gefinancierd worden. Voor concrete cijfers is het nog wachten op het mestrapport van 2020. Op basis van het mestrapport 2019 wordt verwacht dat een toename van het areaal vanggewassen zich vooral zal manifesteren in de teeltgroepen aardappel en mais. De laatste datum voor inzaai van een vanggewas valt voor deze teeltgroepen op 15 oktober. Aangezien deze teelten ten vroegste geoogst worden half september, vraagt deze maatregelen laattijdige bodembewerking in combinatie met laat zaaitijdstip. De bodembewerking zorgt voor een verhoging van de hoeveelheid reststikstof, terwijl het vanggewas dit onvoldoende kan opnemen. Het resultaat zijn hogere nitraatresiduwaarden. Voor de teeltgroep mais liggen de nitraatresidudrempelwaarden in GT 2 en 3 net zeer scherp (65 kg N-NO3/ha). In GT 2 en 3 leidt een overschrijding van de 1ste drempelwaarde tot een bedrijfsevaluatie. Dit wil zeggen dat in jaar x+1 minstens 3 percelen gecontroleerd worden op een nitraatresidu. Naast de verplichte inzaai van vanggewassen gelden ook verlaagde bemestingsnormen in GT 2 en 3. In het mestrapport 2019 wordt een voorspelling gemaakt van 5 miljoen kg werkzame stikstof wat niet meer kan afgezet worden op Vlaamse bodems. Dit zal zich in de eerste plaats vertalen in een lager kunstmestgebruik. Daarnaast wordt ook voorspeld dat kosten voor mestverwerking verder zullen stijgen ten gevolge van de strengere maatregels van MAP 6. Ook hier zijn concrete cijfers te verwachten in het mestrapport 2020 van VLM-mestbank.WP 6 “Disseminatie”
Binnen dit werkpakket werd er maximaal ingezet om de resultaten en vorderingen van het project uit te dragen naar de volledige sector. Prioriteit gaat hierbij naar de doelgroepbedrijven. Dit zijn landbouwers in de afstroomgebieden van rode MAP-meetpunten die via het drainagewater bijdragen aan de nitraataanrijking van het MAP-meetpunt. Bij de voorbereiding van het project werd er een inventarisatie gemaakt van aantal doelgroepbedrijven. In 2015 waren 54 MAP-meetpunten beïnvloed door nitraatrijk drainagewater. Het aantal betrokken landbouwers bedroeg 542. In 2019 waren wel meer dan 112 MAP-meetpunten beïnvloed door nitraatrijk drainagewater. Naar alle waarschijnlijkheid waren er ongeveer 1100 landbouwers betrokken. In eerste instantie werden de resultaten van het project gecommuniceerd naar de doelgroepbedrijven via de Waterkwaliteitgroepen, individuele begeleiding, tententochten en maandelijkse mailings naar de telers toe via het CVBB. Tijdens verschillende demonstratie- en opleidingsmomenten werden de ruime doelgroep bereikt. Op deze demomomenten ging veel aandacht naar de techniek en mechanisatie van de denitrificatiesysteem. Er werd gedemonstreerd hoe het toestel kan onderhouden worden. Via algemene communicatiemiddelen zoals (e)-nieuwsbrieven, blogs, websites van partners en CVBB, artikels in vakbladen, … werd de ruime land- en tuinbouwsector op de hoogte gebracht van de projectresultaten. Doorheen het project werden de resultaten ook verdeeld via infodagen van de KU Leuven, technische comités van de proefcentra, landbouwcommissies en tijdens overlegmomenten van andere nationale en internationale projecten, waardoor er over de grenzen en sectoren heen kennis verspreid werd. Tijdens het project werden 8 vergaderingen met de gebruikersgroep georganiseerd. De leden van de gebruikersgroep werden nauw betrokken bij de proeven en het onderzoek dat werd opgezet. Uit de gebruikerspoll blijkt dat hun interesse in het onderzoek groot was.
Datum:1 sep 2016 →  30 nov 2020
Trefwoorden:biologische waterzuivering, nitraatreductie, drainagewater, groenten, landbouw, nitraat, nitraatnorm, nitraatuitspoeling, oppervlaktewater, waterbehandeling
Disciplines:Landbouwwetenschappen, diergeneeskunde en levensmiddelenwetenschappen niet elders geclassificeerd