< Terug naar vorige pagina

Project

Het vastgoed/financieel complex in Nederland en Belgie

Tijdens de krediet crisis in 2007 was het wereldwijde financiële systeem dichtbij een ineenstorting en staten besloten ‘hun’ financiële instellingen te redden. Een voorname reden voor deze bijna ineenstorting is de diepe motivatie van financiële actoren om illiquide activiteiten en bezittingen zoals vastgoed om te zetten in financiële bezittingen: de continue drang om het financiële domein te vergroten. België en Nederland (de Lage Landen) waren geen uitzondering met grootschalige reddingsoperaties van bank(verzekeraars) zoals Fortis en SNS. Als onderdeel van de Eurozone volgden beide landen ook het standaard recept voor de daaropvolgende Grote Financiële Crisis voorgeschreven door de Europese Centrale Bank bestaande uit ruim monetair beleid dat een schuld gedreven herstel stimuleert vooral via kapitaalintensieve activiteiten zoals vastgoed. Desalniettemin, waar in Nederland, synchroon met financiële markten, stedelijke ontwikkeling tot stilstand kwam bleef de Belgische nevel gestaag groeien en vastgoedprijzen stijgen.

            Om dit verschil te verklaren stelt deze dissertatie ‘financialisering’ - de toenemende dominantie van “financiële actoren, markten, gebruiken, maatstaven en verhalen” (Aalbers, 2017a, p. 3) - centraal. ‘Finance’ en vastgoed zijn tegelijkertijd meer bepalend geworden binnen nationale en stedelijke politieke economieën en meer met elkaar verweven geraakt. Ook stellen (semi-)publieke instituties zich steeds competitiever en ondernemender op. Een focus op stedelijke ontwikkeling zet het analyseren van veranderingen binnen en tussen vastgoed, finance en de staat centraal. Dit vereist de analyse van niet-financiële bedrijven zoals vastgoedontwikkelaars, financiële actoren zoals banken en hun interactie met staatsorganen om het hedendaagse kapitalisme beter te begrijpen.

            De dominantie van finance over Anglo-Amerikaanse stedelijke ontwikkeling is uitvoerig onderzocht. Echter, vergelijkende studies in continentaal Europa en onderzoeken die de limieten van financialisering tonen zijn schaars. Ook wordt de financiële dimensie van stedelijke ontwikkeling vaak genegeerd in stedelijk onderzoek. Daarom presenteert deze dissertatie twee geschaalde, vergelijkende, diepgaande case studies gebaseerd op financiële/kwantitatieve analyses en 55 elite interviews. De Nederlandse casus helpt om beter te begrijpen hoe financialisering plaats vindt terwijl de Belgische casus belangrijke barrières belicht.

Nederlandse stedelijke ontwikkeling is sterk gefinancialiseerd: alle belangrijke actoren zijn, in verschillende mate, erg open om financiële instrumenten opportunistisch te gebruiken. Ook maken sterke overheid instituties het niet alleen mogelijk om grootschalige, kapitaal intensieve projecten waarin private en (semi-)publieke actoren nauw samenwerken te realiseren, maar ook om een meer op de markt gerichte planologie te introduceren die de weg plaveit voor financialisering daarbij de investerings-logica prioriterend boven de gebruikerswaarde van de gebouwde omgeving. De daaropvolgende schuld-explosie, de toestroom van ‘ongeduldig’ kapitaal, zorgt ervoor dat grote sommen geld naar de creatie van nieuwe, compacte stedelijke districten stromen. De eigenaren van dit “rampzalige geld” hebben een abstracte visie op de stad die vooral gebaseerd is op financiële parameters. Als gevolg hiervan zijn stedelijke ontwikkeling en schuld-gedreven vastgoedmarkten belangrijke economische groeimotoren geworden, er is sprake van een vastgoed-financieel gedreven groei regieme.

Kortom, financialisering verandert stedelijke ontwikkeling structureel, voornamelijk via een massale instroom van ‘ongeduldig’/gefinancialiseerd kapitaal, vooral, maar niet alleen, waarneembaar via een grote toename van schuldniveaus bij alle belanghebbenden, van project-ontwikkelaars tot kopers van vastgoed. Deze toename van ‘imaginair’ kapitaal, m.a.w. verhandelbare aanspraken op “de productie van toegevoegde waarde en op de waarde van de onderliggende bezittingen welke beide in relatie worden geproduceerd, zowel in tijd als in plaats” (Pani & Holman, 2014, p. 218), maakt het tempo van stedelijke ontwikkeling afhankelijk van volatiele, internationale financiële markten en transfeert de controle naar financiële actoren en markten in plaats van planologen.

Belgische stedelijke ontwikkeling is nauwelijks gefinancialiseerd: belangrijke actoren zijn veel minder open voor het opportunistisch omarmen van financiële instrumenten. Vastgoedprojecten zijn relatief klein, en worden vaak grotendeels gefinancierd door actoren met een lokale oriëntatie. Deze verstrekkers van geduldige kapitaal – lange termijn aandelen en schuld verstrekt door actoren die prioriteit geven aan langdurige relaties en lange termijn perspectieven die ook niet financiële doelstellingen hebben – vormen een belangrijke barrière tegen financialisering omdat ze huiverig staan ten op zichtte van externe financiering omdat ze hun invloed niet willen delen. Daarnaast heeft de geregionaliseerde, gefragmenteerde Belgische staat een veel zwakkere neoliberale omwenteling gefaciliteerd: private actoren speelde al lang een zeer belangrijke rol in de manier waarop de Belgische gebouwde omgeving gevormd wordt. Gecombineerd met de lange doorlooptijd van projecten en kleinschaligheid stroomt dit geduldig kapitaal geleidelijk naar de stapsgewijze ontwikkeling van een eeuwig uitdijend suburbaan landschap. Hierdoor wordt de vorm en het tempo van stedelijke ontwikkeling vooral bepaald door lokaal georiënteerd private vastgoedbedrijven en individuele vastgoedwensen en veel minder door internationale financiële markten. Binnen de Belgische politieke economie wordt vastgoed veel meer gezien als een individuele investering die bescherming behoeft: de financialisering van vastgoed om de economie te laten groeien heeft lagere prioriteit.

Net als veel andere recente onderzoeken neemt dit doctoraat de financiële dimensies van stedelijke ontwikkeling serieus en biedt het zo nieuwe inzichten over wat stedelijke ontwikkeling drijft daarbij de steeds prominentere rol van financialisering aantonend. Echter, deze andere onderzoeken zijn teveel gefocust op ‘het aantonen van’ financialisering daarbij de diversiteit tussen kapitaal verstrekkers negerend. Daarom is de belangrijkste aanbeveling voor verder onderzoek om de verschillende tijds horizonnen van kapitaalverstrekkers – het (on)geduld van kapitaal – meer centraal te stellen in onderzoek naar stedelijke ontwikkeling.

Datum:12 apr 2013  →  23 jun 2017
Trefwoorden:real estate, finance, financialization
Disciplines:Geomatische ingenieurswetenschappen, Fysische geografie en omgevingsgeowetenschappen, Atmosferische wetenschappen, Atmosferische wetenschappen, uitdagingen en vervuiling, Geologie
Project type:PhD project