< Terug naar vorige pagina

Project

Geboren onder Mercurius. Studies in de verspreiding van geometrische ontwerpkennis in de atelierpraktijk van de Nederlanden: 1480-1560

Dit onderzoek focust op de relatie tussen de architecturale ontwerppraktijk en de beeldende kunsten in de Nederlanden in de periode 1480-1560. Deze cruciale periode op het snijvlak tussen traditie en vernieuwing, kenmerkt zich door een grotere betrokkenheid van andere ambachten of beroepscategorieën in de architecturale ontwerppraktijk, zoals schilders, prentmakers en beeldhouwers. Als centrale vraag binnen dit onderzoek worden de verschillende onderliggende socio-economische mechanismen onderzocht die aan dit proces ten grondslag liggen. Waar er in de eerdere historiografische traditie vooral antwoorden gezocht werden in externe factoren (humanistische architectuuropvattingen via de verspreiding van Vitruvius-edities of de aanwezigheid van Italiaanse schilders-bouwmeesters) wordt er in dit onderzoek vooral gekeken naar de interne processen binnen de stedelijke vroegmoderne gildestructuren die zorgden voor de verspreiding van architecturale en geometrische kennis. Het methodologische opzet van dit onderzoek is om op een interdisciplinaire wijze de kennis van de vroegmoderne ontwerppraktijk te verbinden met een ruimere onderzoekstraditie naar de stedelijke atelierpraktijk en kunsttheoretische inzichten tijdens de eerste helft van de 16de eeuw.
In een vaak aangehaalde rechtszaak die plaatsvond in Utrecht in het jaar 1542 wordt de architect en schrijnwerker Willem van Noort ervan beschuldigd door steenhouwer en beeldhouwer Jacob van der Borch dat hij geen recht had op uitbetaling als ontwerper van een niet nader bepaalde architecturale opdracht, omdat – zo beweerde van der Borch – enkel leden van de metsers- en steenhouwersgilde recht hadden op het aanleveren van ontwerpen. In Van Noorts tegenargument traden verschillende getuigen naar voren die beweerden dat het reeds lang gebruikelijk was voor andere ambachten om architecturale ontwerpen aan te leveren, zonder dat zij hiervoor aangesloten moesten worden bij het gilde van de Vier Gekroonden (metsersgilde). Als extra ondersteuning werd in het pleidooi gebruik gemaakt van citaten uit zowel Alberti als Vitruvius. Met deze rechtszaak als leidraad, wordt onderzocht aan de hand van architectuurtekeningen, leercontracten en gildebepalingen in welke mate het ontwerpproces kon worden geclaimd door één gilde of ambacht. 
Hieruit blijkt dat het ontwerp vooral een ambachts-overschrijdende rol heeft. Dit is geen innovatie die haar oorsprong vindt in de 16de eeuw dankzij de introductie van humanistische architectuurtraktaten of de influx van Italiaanse architecten. Zowel leercontracten in de gilden als de gilderegulaties bieden weinig tot geen info over de verantwoordelijkheid van de ontwerper. Uit verschillende contracten van schrijnwerkers, goudsmeden of beeldhouwers blijkt dat de verantwoordelijkheid voor ontwerp verschilt van opdracht tot opdracht. De belangrijkste factor in geschiktheid als ontwerper is vooral een gedegen kennis van geometrie, die de basis vormt voor elk type ontwerp van enige architecturale aard. Dit laatste omvat niet enkel grootschalige projecten maar ook micro-architectuur zoals tabernakels, monstransen, maaswerk, preekgestoelte of sacramentstorens. Een grote groep van vroegmoderne ambachtslieden zoals metsers, houtbewerkers, schrijnwerkers, beeldhouwers en goudsmeden deelden deze geometrische kennis en vormden samen de basis voor de ontwerppraktijk. 
Een opmerkelijke nieuwe tendens aan het begin van de 16de eeuw was de overdracht van deze geometrische ontwerpkennis van deze brede prosopografische groep naar het schildersatelier. Minder dan tot nog toe in de literatuur wordt aangenomen was dit de invloed van een nieuwe humanistische visie om ontwerp, maar eerder lag er een interne sociaal-professionele verschuiving aan de basis van deze ontwikkeling. Het is opvallend dat de meeste schilders die tijdens de eerste helft van de eeuw actief betrokken waren bij architecturale opdrachten, ook een sterke familieband hadden met eerder besproken ambachtslieden die diepgeworteld waren in de geometrische ontwerppraktijk. Schilders zoals Lanceloot Blondeel, Quinten Metsys, Jan Gossart, Frans en Cornelis Floris, Lucas d’Heere of Jan Rombouts hadden allen vaders die actief waren als metsers, steenhouwers of goudsmid en die hiermee de basis legden voor het belang van geometrie in het schildersatelier. Hoewel er tijdens de 15de eeuw al enkele voorbeelden te vinden zijn van schilders met een actieve interesse in geometrie en de architectuurpraktijk, kunnen we vanaf het begin van de 16de eeuw spreken van een sociaal-professioneel patroon. Eén van de beargumenteerde oorzaken hiervoor is dat de strategische distributie van talent over verschillende ambachtsgroepen een groot voordeel opleverde voor artistieke dynastieën bij het toekennen van opdrachten. Bovendien zorgde een veranderende markt voor schilderijen (voornamelijk in Antwerpen) in samenloop met een toenemende professionalisering van een steeds competitievere architecturale ontwerppraktijk ervoor dat telgen uit ontwerpende beroepen in sterkere mate kozen voor een carrièrewissel.
De overdracht van geometrische kennis naar de schilderpraktijk wordt aangetoond aan de hand van het schetsboek (1520-1533) uit het atelier van de Amsterdamse schilder Jacob Cornelisz. Van Oostzanen. Ongeveer één derde van de tekeningen in dit vroegst gekende schetsboek uit de Nederlanden is gerelateerd aan architecturale ontwerpstudies. Dit kan gaan om studies naar vernieuwend antiecs ornament, maar ook om studies naar perspectiefrasters, polyhedra of een tekening van een bundelpijler waarbij gebruik wordt gemaakt van de Ad Quadratum-methode die voordien vooral gebruikt werd door mesters, steenhouwers en goudsmeden. 
De geometrische projectiemethoden en ontwerptheorie werden door schilders ook actief gehanteerd bij hun betrokkenheid bij grootschalige cartografische projecten. Hoewel er in het verleden ook vaak een beroep werd gedaan op schilders bij de productie van militaire of juridische kaarten, is er een duidelijke verschuiving merkbaar in de rol die zij hierin speelden. Niet enkel werd er gebruik gemaakt van hun picturale kwaliteiten, maar in toenemende mate traden schilders zoals Lanceloot Blondeel, Pieter Pourbus, Jan van Scorel Willem Croock of Cornelis Anthonisz. ook naar de voorgrond als landmeters en werden hun kaarten vaak voorzien van een vermelding van de exacte meetbaarheid en het beroep dat gedaan werd op hun geometrische kennis. De verklaring die wordt geboden is tweeledig. Enerzijds konden schilders als Blondeel terugvallen op de in het voorgaande hoofdstuk besproken erfelijke kennis. Anderzijds bestond er een actieve wisselwerking met de ontwikkelingen in de driehoeksmeetkunde en triangulatie die gelijktijdig plaatsvonden in het academische netwerk rondom Gemma Frisius aan de Leuvense universiteit.  
Communicatie van ontwerp gebeurde niet enkel via architectuurtekeningen, traktaten of via een erfelijke orale familietraditie, maar vanaf het laatste kwart van de 15de eeuw speelden ook losse prenten een niet te onderschatten rol in de distributie van nieuwe stijlen en ontwerptechnieken. Aan de hand van de zgn. Prevedari-prent, naar ontwerp van Bramante wordt aangetoond dat dergelijke losse prenten een grote invloed hadden op de ontwikkeling van een nieuwe antieke utopie en de ornamentale vormtaal aan het begin van de 16de eeuw, voornamelijk in Antwerpen. Daartegenover staat een schilder als Jan Gossart die hoofdzakelijk in de context werkt van de hoven van Philips van Bourgondië en Hendrik III van Nassau. Omwille van een humanistische omgeving en een direct contact met de antieke architectuur wordt er een veel meer antiquarische vorm van antieke stijl tot ontwikkeling gebracht, die evenzeer schatplichtig was aan Bramante. 
De vroege prentkunst speelde niet enkel een grote rol bij de verspreiding van nieuwe stijlidiomen, maar ze was ook cruciaal voor de ruimere verspreiding van geometrische ontwerpprincipes. Aangezien de meeste eerste graveurs in hoofdzaak goudsmeden waren, werd dit nieuwe medium al snel ook ingezet voor de productie van gravures waarbij pinakels, monstransen, kelken of andere vormen van vooral gotische micro-architectuur het onderwerp waren. In de Nederlanden was dit vooral de anonieme goudsmid die in de literatuur doorgaans wordt aangeduid met de noodnaam Meester W met de sleutel. Een ander interessant voorbeeld is Alart Du Hameel, bouwmeester uit ’s Hertogenbosch, die enkele van zijn ontwerpen verspreidde aan de hand van grootschalige gravures. Niet alleen zorgden deze ontwerpen voor een breder gamma aan beschikbare modellen voor collega goudsmeden, schrijnwerkers, houtsnijders of steenhouwers, maar bovendien voorzagen zij deze gravures vaak van geometrische doorsneden waardoor achterliggende ontwerpmatigheden duidelijk en te dupliceren werden. Omwille van een groeiende interesse in geometrie vonden deze prenten ook in toenemende mate een afzetmarkt bij de vroege verzamelaars van prentkunst in Europa. Omwille van hun traditionele achtergrond in de architectuur of goudsmeedkunst enerzijds, en hun toenadering tot de beeldende kunsten via de prentkunst anderzijds hadden deze vroege prentmakers een essentiële intermediaire functie in de transmissie van ontwerpkennis.
De verspreiding van technische en geometrische kennis naar andere ambachten had ook grote gevolgen voor de veranderende sociale status van schilders aan het begin van de zestiende eeuw. Zowel architecten als goudsmeden genoten tijdens de 15de eeuw reeds een grote maatschappelijke status. Dit was niet enkel omwille van de vaak grote welvaart die vergaard werd door grote opdrachten, maar ook hun associatie met de vrije kunst van de geometrie. In eigentijdse bronnen worden deze ontwerpers voortdurend geprezen omwille van hun scientie, contelijkheid of ingenium. De status van geometrische ontwerpers wordt ook gereflecteerd in het zelfbeeld dat deze kunstenaars veruitwendigden. Zowel architecten als goudsmeden behoorden tot de eerste sociale groep uit de werkende klasse die zichzelf uitgebreid lieten portretteren, vaak in combinatie met passers, winkelhaken of andere zelfbewuste verwijzingen naar hun bekwaamheid in de vrije kunst van de geometrie. Wanneer deze geometrische ontwerpkennis werd overgenomen door een nieuwe generatie schilders, werd ook dit grote sociale bewustzijn overgenomen. Niet alleen vroege graveurs met wortels in de goudsmeedkunst gingen hun prenten signeren met een prominent gebruik van een huismerk, maar ook schilders met familiale wortels in diezelfde traditie behoorden tot de eersten binnen hun beroepsgroep die hun werken signeerden, vaak met een expliciete verwijzing naar hun achtgrond in een geometrisch beroep. Zo signeerde Blondeel bewust met een truweel als verwijzing naar een verleden als metser, en ook Quinten Metsys gebruikte soms een huismerk of klein hamertje om zijn origine als smid te accentueren. 
Het was in de eerste plaats dankzij deze generatie schilders en hun expliciete associatie met de geometrie als onderdeel van de Artes Liberales dat de schilderkunst in de Nederlanden zich voor het eerst wist te ontwikkelen als vrije kunst. In de loop van de zestiende eeuw is de aard van dit discours geleidelijk gewijzigd en kunsten uit het Trivium (m.n. Retorica) werden meer ingezet in de kunsttheoretische debatten met betrekking tot de status van de schilderkunst. De origine van deze kenterende attitude ten opzichte van de sociaal verheffende rol van de geometrie is te terug te voeren tot het humanistische netwerk rondom Lampsonius en Lambert Lombard, waar deze visie van Giorgio Vasari snel de bovenhand haalde. Dit werd snel overgenomen door een volgende generatie schilders (Frans Floris, Lucas d’Heere), actief in de jaren 1540 en 1550, waarvan sommigen ook waren opgeleid in het Luikse atelier van Lombard. Het portret van Quinten Metsys in Lampsonius’ portrettenreeks van beroemde kunstenaars is misschien nog het mooiste voorbeeld van deze nieuwe attitude. In de begeleidende verzen bij dit portret wordt de lezer duidelijk gemaakt dat de zachte penseestreken van de schilders edeler zijn dan de donderslagen van hamer en aambeeld, en dat deze Apelles zich gelukkig mocht prijzen ontsnap te zijn aan de smidse van Vulcanus. Dit stond echter haaks op de wijze waarop Metsys zichzelf verkoos te profileren als geboren onder het gesternte van Mercurius.

Datum:25 mei 2010 →  28 mei 2021
Trefwoorden:Architecture, Renaissance, Drawings, Architectural drawing, Renaissance Art
Disciplines:Maatschappelijke gezondheidszorg, Theorie en methodologie van de historische wetenschappen, Stedelijk en regionaal ontwerp, ontwikkeling en planning, Ingenieurswetenschappen in de architectuur, Architectuur, Interieurarchitectuur, Architecturaal design, Kunststudies en -wetenschappen
Project type:PhD project