< Terug naar vorige pagina

Project

Ecosysteemdiensten in landbouwlandschap: het geval van de Vlaamse appelteelt

Sinds de tweede wereldoorlog is de landbouw in de EU steeds intensiever geworden door de invoering van nieuwe gewasvariëteiten met een hoge opbrengst, geavanceerde landbouwtechnieken en de vervanging van biologische functies en diensten door grote hoeveelheden kunstmeststoffen en bestrijdingsmiddelen. Hoewel deze praktijken de landbouwproductie, voedselzekerheid, voedselkwaliteit en economische ontwikkeling hebben gestimuleerd, hebben ze ook geleid tot ernstige milieuproblemen. Samen met de verdere uitbreiding van landbouwgebieden ten koste van (half)natuurlijke habitats heeft de intensivering van de landbouw geleid tot een ernstige achteruitgang van de biodiversiteit en op biodiversiteit gebaseerde ecosysteemdiensten. Om verdere degradatie van het milieu te voorkomen en voedselzekerheid op lange termijn te kunnen garanderen, wordt biologische landbouw steeds meer gepromoot als een milieuvriendelijker alternatief voor conventionele landbouw, omdat daarbij wordt afgezien van het gebruik van synthetische inputs en de natuurlijke functies en diensten van ecosystemen worden aangewend voor het telen en beschermen van gewassen.

 

Ondanks de gestage groei van de biologische sector is er slechts weinig geweten over de mate waarin biologische landbouw effectief bijdraagt aan de instandhouding en verbetering van de biodiversiteit en de levering van allerlei ecosysteemdiensten. Dit geldt zeker voor meerjarige gewassen, waar tot nu toe slechts weinig onderzoek naar is gedaan en vaak tegenstrijdige resultaten worden gerapporteerd. Bovendien ontbreekt in de meeste studies ook een vergelijking met een halfnatuurlijke referentie, terwijl dit waardevolle inzichten kan opleveren in de mate waarin biodiversiteit en ecosysteemdiensten worden beïnvloed door verschillende landbouwsystemen. Verder roept ook de lagere productiviteit van de biologische landbouw ten opzichte van de conventionele landbouw vragen op over de duurzaamheid wanneer dit op grote schaal zou worden toegepast. Door de lagere opbrengsten hebben biologische systemen immers meer land nodig per eenheid geproduceerd voedsel, wat betekent dat ze voor eenzelfde productieniveau een vergelijkbaar of zelfs groter milieueffect kunnen hebben dan conventionele systemen. Samengevat is er nood aan betere inzichten in de ecologische, agronomische en economische implicaties van biologische landbouw om te kunnen beoordelen of het effectief leidt tot hogere duurzaamheid. In deze studie hebben we daarom een reeks ecologische, agronomische en economische indicatoren gekwantificeerd in zowel biologische appelboomgaarden als boomgaarden met geïntegreerde gewasbescherming (Engels: Integrated Pest Management, IPM), en onderzochten we hoe deze indicatoren werden beïnvloed door zowel lokaal beheer als de landschapscontext. Bovendien vergeleken we de ecologische prestaties van zowel biologische als IPM boomgaarden met een halfnatuurlijke referentie, om zo het potentieel van de boomgaarden voor het behoud van biodiversiteit en ecosysteemdiensten te kunnen evalueren.

 

Eerst vergeleken we fysische, chemische en biologische bodemgezondheidsindicatoren tussen biologische boomgaarden, IPM-boomgaarden en halfnatuurlijke graslanden. Er werden geen significante verschillen in bodemgezondheid gevonden tussen de biologische en de IPM-boomgaarden, en geen van beide systemen had een verminderde bodemgezondheid in vergelijking met de halfnatuurlijke referentie, behalve een hogere strooiselafbraak in beide boomgaardtypes. Dit wijst erop dat zowel biologische als IPM-appelboomgaarden duurzaam kunnen worden beheerd wat bodemgezondheid betreft. De aanwezigheid van ruimtelijke variabiliteit in bodemgezondheid tussen gangpaden en gewasrijen binnen boomgaarden suggereert echter dat het bodembeheer nog kan worden verbeterd, en dan voornamelijk in de gewasrijen van IPM-boomgaarden.

 

Vervolgens onderzochten we de effecten van biologisch teelt en landschapscontext op biologische plaagbestrijding en bestuiving. Natuurlijke vijanden waren talrijker in biologische boomgaarden dan in IPM boomgaarden, wat een klein positief effect had op de biologische bestrijding, maar over het algemeen geen invloed had op de plaagdruk. Bovendien was de plaagdruk over het algemeen hoger in biologische percelen en in aanwezigheid van meer halfnatuurlijk habitat in het omringende landschap. Deze bevindingen geven aan dat factoren die natuurlijke vijanden ten goede komen, ook in het voordeel van plaagsoorten kunnen werken, wat belangrijke implicaties kan hebben voor het ontwerpen van milieuvriendelijke agrarische landschappen. In vergelijking met de halfnatuurlijke referentie vertoonden zowel biologische als IPM boomgaarden gedegradeerde gemeenschappen van natuurlijke vijanden en een lager potentieel voor biologische plaagbestrijding. Bestuivergemeenschappen, anderzijds, verschilden slechts minimaal tussen biologische en IPM boomgaarden, en deze verschillen hadden geen invloed op bestuivingsdiensten of gewasopbrengst. Opbrengsten waren echter wel direct en negatief geassocieerd met biologisch beheer. De bestuivergemeenschappen in de boomgaarden deden het over het algemeen beter in de perceelsranden, bij hoge landschapsdiversiteit en bij de aanwezigheid van halfnatuurlijk habitat in de directe omgeving, maar waren over het algemeen minder talrijk en divers dan gemeenschappen in de halfnatuurlijke gebieden. Verder werden de resultaten voor bodemgebonden ecosysteemdiensten, biologische plaagbestrijding en bestuiving ook gecombineerd met metingen van biodiversiteit, gewasopbrengst en het inkomen van de landbouwers om de algemene multifunctionaliteit van de boomgaarden te bepalen en mogelijke synergiën en ruilfuncties tussen diensten te identificeren. Multifunctionaliteit verschilde niet tussen biologische en IPM boomgaarden, en in beide systemen werd een duidelijke ruilfunctie tussen biodiversiteit en gewasopbrengst gevonden.

 

Als conclusie kunnen we stellen dat de relatief beperkte voordelen van biologische landbouw op het gebied van biodiversiteitsbehoud en ecosysteemdiensten, in combinatie met het grote verschil in gewasopbrengst ten opzichte van IPM, erop wijst dat er verder moet worden gekeken dan louter biologische en conventionele teelt om de duurzaamheid van boomgaarden te verbeteren. De instandhouding en uitbreiding van perceelsranden, halfnatuurlijke habitats en complexe landschappen lijkt een meer doeltreffende strategie om biodiversiteit en ecosysteemdiensten te onderhouden. Deze conclusie wordt ook ondersteund door de aanwezigheid van een duidelijke ruilfunctie tussen biodiversiteit en gewasopbrengst in beide systemen en de veel hogere biodiversiteit in halfnatuurlijke gebieden. Daarom kan worden gesteld dat het beheer in appelboomgaarden moet focussen op het behouden of verbeteren van functionele agrobiodiversiteit om de levering van ecosysteemdiensten veilig te stellen, en dat meer aandacht moet worden besteed aan het behoud van halfnatuurlijke habitats vanwege hun rol in het behoud van regionale biodiversiteit. Ten slotte ondersteunt onze studie het standpunt dat de verbetering van de ecologische, agrarische en soco-economische duurzaamheid van de landbouw een nauwe samenwerking vereist tussen de verschillende belanghebbenden in het landbouwlandschap, en verder ondersteund moet worden door gepast beleid op regionaal, nationaal en internationaal niveau.

Datum:4 dec 2018 →  26 jun 2023
Trefwoorden:Sustainable farming, Organic farming, Integrated Pest Management
Disciplines:Visserij, Dierkundige biologie, Geologie, Aquatische wetenschappen, uitdagingen en vervuiling
Project type:PhD project