< Terug naar vorige pagina

Project

De rol van nationale toezichtinstanties tegen foltering en mishandeling in Europese gevangenissen

De ervaring leert dat marteling en mishandeling meestal voorkomt wanneer mensen van hun vrijheid beroofd zijn, hoewel marteling en mishandeling expliciet bij wet verboden zijn. Dit leidde tot de oprichting van de internationale toezichthoudende instanties, die mishandeling door een systeem van bezoeken en onderhandelingen met de betrokken autoriteiten te voorkomen. Hun succes heeft geleid tot de aanneming van het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering (CAT), die werd beschouwd als baanbrekend voor de oprichting van soortgelijke preventieve organen op nationaal niveau, de zogenaamde National Preventieve Mechanisms (NPMs). Echter, het beleid documenten blijkt dat er aanzienlijke verschillen bestaan U+200BU+200Btussen NPMs en dat de track record van verschillende NPMs is verre van perfect. 10 jaar na de datum van de OPCAT in werking treedt, moet de focus verschuiven van het onderzoek naar de organisatorische voorwaarden voor het functioneren van NPMs, om hun feitelijk functioneren in de praktijk, zoals duidelijk te maken of NPMs succesvol kan worden beschouwd, dan wel of het OPCAT blijft een papieren tijger. Dit onderzoek analyseert de werking van NPMs in wetgeving, beleid en praktijk met betrekking tot hun mandaat, toetsingskader en de prioriteiten in FR, NL en het Verenigd Koninkrijk. De antwoorden niet alleen gericht op het begrijpen van de werking van de verschillende NPMs maar bieden eveneens een vergelijkend overzicht op NPMs in verschillende Europese landen, hoewel het verbod op foltering algemeen wordt erkend, de feitelijke bescherming tegen foltering wezenlijk verschilt van land tot land.

Datum:15 dec 2016 →  30 sep 2019
Trefwoorden:nationale toezichtinstanties, Gevangenissen, detentie, toezicht op gevangenissen, gevangeniscondities
Disciplines:Straf en strafrecht, Mensenrechtenwetgeving