< Terug naar vorige pagina

Project

Conceptkenmerken en lexicale diversiteit. Een dialectologische casestudy over de relatie tussen betekenis en variatie

Deze dissertatie bespreekt vier casestudies over lexicale diversiteit, de hoeveelheid lexicale variatie die een concept toont. De hoeveelheid lexicale diversiteit kan verschillen tussen concepten. Voor een concept als dronken, bijvoorbeeld, bestaan er veel meer woorden in het Nederlands, zoals aangeschoten, beneveld en beschonken, dan voor een concept als nuchter. Pilootstudies hebben aangegeven dat dat soort verschillen beïnvloed worden door kenmerken die te maken hebben met de betekenis van de concepten zelf: de negatieve connotatie van dronken, bijvoorbeeld, resulteert in een grotere mate van lexicale diversiteit (Geeraerts & Speelman 2010, Speelman & Geeraerts 2007, 2008). De pilootstudies toonden verder aan dat ook kenmerken die te maken hebben met de prototypische structuur van het lexicon, variatie in lexicale diversiteit beïnvloeden. Omdat de pilootstudies zich echter beperkten tot één semantisch veld (het menselijk lichaam) en één dialectgebied (het Limburgse dialectgebied), is de mate waarin zulke semantische kenmerken van belang zijn voor andere delen van het lexicon en voor andere variëteiten ondergedetermineerd.

De vier casestudies die aan bod komen in dit onderzoek bevestigen dat de resultaten van de pilootstudies stabiel zijn in een ander dialectgebied, omdat zowel het Limburgse als het Brabantse dialectgebied onderzocht worden, en in een diverse verzameling semantische velden. Verder leveren ze verschillende nieuwe inzichten op die nog niet behandeld werden in de pilootstudies. Het eerste deel van deze dissertatie focust voornamelijk op het bevestigen van de stabiliteit van de semantische conceptkenmerken die onderzocht werden in de pilotstudies. In de eerste casestudie (hoofdstuk 3) wordt de invloed van semantische conceptkenmerken in vijf andere semantische velden dan het menselijk lichaam, vergeleken. De semantische velden die opgenomen worden, zijn onderscheiden aan de hand van twee dimensies: de gemiddelde mate van concreetheid en de mate waarin het semantische veld lokaal, gemeenschapsgebonden of universeel is. De analyse die gepresenteerd wordt in hoofdstuk 3 bevestigt dat het effect van de conceptkenmerken uit de pilootstudies stabiel is in de andere semantische velden en in het Limburgse én Brabantse dialectgebied. De verschillen die gevonden worden tussen semantische velden betreffen enkel het feit dat bepaalde conceptkenmerken een sterkere invloed hebben in sommige velden.

De tweede casestudie (hoofdstuk 4) onderzoekt of het effect van de conceptkenmerken hetzelfde is voor de verschillende manieren waarop het geografisch gestratificeerde dialectmateriaal gekenmerkt wordt door lexicale diversiteit. Enerzijds bestaat er voor sommige concepten namelijk een grotere (of kleinere) hoeveelheid lexicale varianten. Anderzijds kunnen die varianten ook een grotere (of kleinere) mate van heterogeniteit vertonen in hun geografische distributie. Daartoe worden twee concrete onderzoeksvragen behandeld. Ten eerste bepalen we of de invloed van de conceptkenmerken significant en stabiel is als die verschillende aspecten van lexicale geografische diversiteit uit elkaar worden gehaald. Ten tweede wordt bekeken in welke mate de conceptkenmerken enkel invloed hebben omdat de data geografisch gestratificeerd is. De analyses tonen aan dat de onderzochte conceptkenmerken alle aspecten van lexicale diversiteit beïnvloeden, hoewel de effecten van de verschillende kenmerken niet even sterk zijn voor elk aspect van lexicale diversiteit. Verder kunnen we besluiten dat de geografische verdeling van het dialectmateriaal niet de enige reden is waarom de conceptkenmerken lexicale diversiteit beïnvloeden.

In het tweede deel van deze verhandeling wordt het feit dat semantische kenmerken ook lectale variatie kunnen vertonen, in beschouwing genomen. Zo is het, bijvoorbeeld, waarschijnlijk dat een concept voor bepaalde sprekers beter bekend is, omdat hij/zij er frequenter mee in aanraking komt. De derde casestudie (hoofdstuk 5) onderzoekt het gebruik van leenwoorden in dialectgebieden vanuit onomasiologisch perspectief. Het hoofdstuk focust, meer bepaald, op de interactie tussen de geografische locatie van een taalgebruiker en semantiek als verklaring van de frequentie van leenwoorden uit drie brontalen (Frans, Latijn en Duits) in vier semantische velden in Limburg en Brabant. De resultaten tonen aan dat geografie een belangrijke rol spreekt, omdat er grenseffecten optreden. Duitse leenwoorden komen, bijvoorbeeld, frequenter voor nabij de grens met Duitsland in het Limburgse dialectgebied. Verder blijkt ook de interactie met semantiek een cruciale rol te spelen: het gebruik van Franse leenwoorden is, bijvoorbeeld, in grote mate afhankelijk van het semantische veld waartoe het concept behoort en van de locatie van de dialectspreker. De patronen die gevonden worden, kunnen enkel verklaard worden aan de hand van de socio-culturele achtergrond van de dialectsprekers.

In de laatste casestudie (hoofdstuk 6) wordt rechtstreeks onderzocht wat het effect is van de dagelijkse omgeving van een taalgebruiker op lexicale diversiteit. De casestudie zoomt in meer detail in op het semantische veld van planten in de Brabantse, Limburgse en Vlaamse dialecten in België. Het presenteert een analyse van de relatie tussen lexicale diversiteit in een bepaalde regio per plant en de frequentie waarmee die plant voorkomt in de omgeving van de dialectsprekers uit die regio. Cruciaal daarbij is dat plantfrequentie afhankelijk is van de locatie van de spreker: in de kempen komen, bijvoorbeeld, meer heidevelden voor dan in andere gebieden in België. De analyse toont aan dat zulke extra-linguïstische factoren correleren met lexicale diversiteit: hoe frequenter de plant, hoe minder lexicale diversiteit er gevonden wordt. Andere factoren, zoals de frequentie waarmee een plant cultureel relevant is, bijvoorbeeld omdat hij voorkomt in volksgeloof, moeten echter ook een rol spelen.

Over het algemeen geeft deze studie een systematisch en gevarieerd beeld van het dialectlexicon van het Nederlands. Naast het feit dat de dialecten geografisch gestratificeerd zijn, wordt duidelijk aangetoond dat lexicale verschillen tussen verschillende locaties kleiner (of groter) zijn, afhankelijk van de betekenis van de referent waarnaar verwezen wordt.

Datum:4 nov 2013  →  17 nov 2017
Trefwoorden:lexical semantics, Dutch, dialectology, dialectometry, Limburgish dialects, Brabantic dialects, sociolinguistics, Cognitive Linguistics
Disciplines:Theorie en methodologie van de literatuurwetenschappen, Linguïstiek, Theorie en methodologie van de linguïstiek, Andere linguïstiek en literatuurwetenschappen
Project type:PhD project